__________________________________________

    Het verhaal van Boesman   

__________________________________________

Als je zelf ooit nog naar Sossusvlei gaat zou ik zeker aanraden een wandeling met Boesman te gaan maken. In dat geval kun je dit verhaal beter nog maar niet lezen. Wij vroegen Boesman of hij zijn verhaal in het Zuid-Afrikaans wilde doen. Hij sprak zeer duidelijk en langzaam, dus het was allemaal goed te volgen en heel interessant. Hier een verslag van wat hij allemaal vertelde:

 

 

Vlei betekent plek waar het water heeft gestaan en Tsossus betekent bedolven onder het zand, dit sloeg op de Bosjesmannen die de kleur van het zand hadden en daardoor in dit landschap niet opvielen. Door deze twee woorden samen te voegen was de naam Sossusvlei ontstaan, plek waar eens de rivier was en waar de Bosjesmannen leven.

 

Boesman vertelde over de planten die op de rode duinen groeien. Deze planten hebben meters lange wortels, die vlak onder het grondoppervlak liggen, waardoor ze zoveel mogelijk vocht op kunnen vangen. Niet alleen de planten hebben zich aangepast aan het droge landschap, ook de torrekies (torretjes) hebben zich aan de droogte aangepast. Zij hebben groeven op hun rug, waardoor het water dat op hun rug terechtkomt als ze voorover buigen in hun mond loopt. Hun vleugels hadden zich versmolten tot een soort parasol. Alle torren waren in wezen zwart, maar hoe meer warmte een tor te verduren had, hoe dikker de witte waslaag op hun rug en hoe blauwer de tor leek in de zon. Aan de kleur van de torren konden de Bosjesmannen dus zien hoe ver ze van de (koelere) zee verwijderd waren. De Bosjesmannen wisten zo altijd waar ze waren en aan de schaduwen konden ze zien welke kant ze op moesten om de zee of juist de heuvels te bereiken. In de winter ligt de steile schaduwkant van de duinen namelijk aan de kant van de zee en in de zomer ligt de schaduwkant aan de kant van de heuvels. Een prima manier om te navigeren zonder kompas. 

Boesman liet ons ook zien hoe de vrouwen van de Bosjesmannen kralen maakten van de schaal van een struisvogelei.  Hij vertelde dat in dit droge gebied de Bosjesmannen in groepjes van ongeveer 5 mensen leefden. Jagen was erg belangrijk. In dit gebied leven gemsbokken en struisvogels, waar de Bosjesmannen op konden jagen. Als ouderen het lopen en jagen niet meer konden volhouden, dan werden ze achtergelaten. Ditzelfde gold voor vrouwen en meisjes. Vier mannen konden wel met één vrouw overleven, maar andersom niet. Vandaar dat de groepjes meestal uit vier mannen en één vrouw bestonden.   

Als de mannen dan een gemsbok hadden geschoten betekende dat drie dagen lang zo'n tien kilo vlees eten per dag eten. Een gemsbok weegt namelijk ongeveer 150 kg Dat was dus 30 kg per persoon, maar het moest snel opgegeten worden, want met de hoge temperaturen bedierf het erg snel. Hun buiken door het eten van deze grote hoeveelheden vlees dan ook helemaal opgerekt en moesten bij het rennen zelfs vastgebonden worden.

Een gouden regel voor het jagen, jaag nooit op een moeder met een jong, want dan heb je slechts het vlees van één volwassen dier, terwijl je later op twee volwassen dieren kunt jagen.

  We liepen met Boesman naar Dooievlei. In de woestijn kun je bijna geen diepte inschatten vertelde Boesman. Van de plek waar wij stonden was het 1,3 km naar het duin. 400 Meter was het tot de achterste boom en daarna was het nog 900 meter. Wij konden dat maar moeilijk geloven, maar toen we later een duin aan de zijkant opklommen konden we inderdaad de diepte zien en zagen we dat er nog een heel stuk Vlei voorbij de bomen lag.

Alle boomstronken verschilden van elkaar en door de stronken te omschrijven konden Bosjesmannen aan elkaar doorgeven bij welke boom bijv. een struisvogelei met water achtergelaten was.

Op het laatste stuk door de duinen vertelde Boesman nog iets over de sporen die dieren achterlaten. We konden de sporen van torrekies herkennen en konden ook aan het spoor zien of een torrekie gezond of kreupel was. Mannetjes torrekies verwonden elkaar namelijk om elkaar minder aantrekkelijk te maken bij de vrouwtjes.

Bij het spoor van een hagedis zie je een mooie streep van de staart tussen de pootafdrukken, maar als de hagedis rent tilt ie z'n staart op en zie je deze streep dus niet. Een hagedis haalt zijn/haar vocht uit de prooi die hij/zij opeet. Bosjesmannen eten de hagedissen dan ook rauw om het vocht uit een hagedis binnen te krijgen. In natte perioden is er een overschot aan vogels en zijn er veel dode of gewonde hagedissen in dit gebied, omdat dan de grond te hard is voor de hagedissen om er snel in weg te kunnen kruipen.

In de schaduw van een Camelthorn vertelde Boesman ons nog één verhaal. Hoe bleven Bosjesmannen warm in een koude nacht? Door goed te eten en te dansen, maar ook door het luisteren naar en te denken aan verhalen. En toen vertelde hij een verhaal in de ik-vorm, waardoor het heel echt leek. Hij was getrouwd met een vrouw met een slechte stem, die hem aanspoorde een moeder met jong te schieten als zij honger had, maar hij moest steeds weer denken aan de verhalen van zijn vader, dat je nooit op een moeder met jong schoot. Ondanks de verhalen van zijn vader luisterde hij toch naar de slechte stem van zijn vrouw en ging achter een kalf aan. De moeder gemsbok verdedigde haar kalf echter en hij bleef gewond in de woestijn achter. Gelukkig werd hij door een andere Bosjesman gered en bleef leven. Hij had iets heel belangrijks geleerd. Luister altijd naar de wijze woorden van je vader en niet naar de slechte woorden van iemand anders!

(Maar hoe kregen baby's het dan warm, die niet konden denken aan de verhalen, geen vlees aten en niet konden dansen? Zij werden warm gehouden door de moeder en bleven ze dan nog koud, dan zou het kind sterven, want het kind zou nooit sterk genoeg zijn om in de woestijn te kunnen leven.)

En dit was dan het verhaal van Boesman. Jammer dat de tocht niet langer duurde, want hij had ons vast nog veel meer interessante dingen kunnen vertellen.

 

Klik hier om terug te keren naar het reisverslag.