____________________________________

Reis langs 7 vernietigingskampen

uit WOII in Polen

Chelmno-Treblinka-Sobibor-Majdanek-Belzec-Auschwitz I-Auschwitz II (Birkenau)

____________________________________

Warschau / Chelmno / Treblinka / Sobibor / Lublin / Majdanek / Belzec / Krakau / Auschwitz I / Auschwitz II (Birkenau) / Het verhaal van Hans en Rob Beckman

 

 

De reis die ik in augustus 2017 maakte was geen reis die te vergelijken valt met de andere reizen op de website. Ik wilde ooit in mijn leven naar Auschwitz, maar wilde dit niet als een vakantietripje (stedentrip) gaan doen. Ik wilde me er goed op voorbereiden, goed ingelezen op pad gaan en het liefst met mensen die ook extra geïnteresseerd in en op de hoogte waren over wat er in de WOII gebeurde daar naartoe gaan, dus koos ik voor een reis langs meerdere kampen. Het was een reis langs alle zeven vernietigingskampen uit WOII. Natuurlijk telde het Duitse Rijk nog vele andere kampen, zoals doorvoerkampen, concentratiekampen en werkkampen, maar er bestonden slechts een paar vernietigingskampen en daarvan lagen de meeste in Polen.

 

 

 

In dit reisverslag zal ik soms voor het gemak spreken over Duitsers. Hiermee bedoel ik de Duitse SS-ers en soldaten die actief deelnamen aan de oorlogvoering en het vermoorden van onschuldige slachtoffers tijdens WOII. Er waren ook goede Duitsers. Ik ben er zelfs van overtuigd dat er ook goede Duitsers waren onder de soldaten en SS-ers. Dit reisverslag is er echter niet om te oordelen over goed en fout, maar om te leren van de geschiedenis en om de slachtoffers te herdenken.

Warschau

  De vlucht ging van Eindhoven naar Polen. Wat relaxed om van zo'n klein vliegveld te vertrekken, je auto vlakbij te kunnen parkeren en je tijd niet kwijt te zijn aan lange wachtrijen. In Polen werden we opgewacht door de reisleider en reden we via het monument voor de Poolse gevallenen in het Oosten naar het hotel. Dit monument bestaande uit een bronzen kar met daarin vele kruisen symboliseert de door de Russen gevangen genomen Polen, die op veewagens naar o.a. Siberië werden gestuurd om daar te werken en te sterven. Ook staat het symbool voor de massamoord op Poolse gevangenen in Katyn (Rusland).
Vanuit het hotel was het mogelijk om met de tram naar het oude centrum van de stad te gaan. Hier is het erg toeristisch, zijn er vele terrasjes, die in de zomer helemaal vol zijn en kun je heerlijk rondwandelen tussen de vele oude gebouwen. Althans, ze lijken oud. Na de Opstand van Warschau was nagenoeg de hele stad verwoest. Na de oorlog heeft men de stad weer in oude glorie hersteld. In het pas geopende museum over de Opstand van Warschau, niet te verwarren met de Opstand in het getto van Warschau, kun je op een interactieve manier veel te weten komen over deze opstand. Deze opstand begon op 1 augustus 1944. Opstandelingen van het Poolse Armia Krajowa verzetsleger besloten in opstand te komen tegen de Duitsers met als doel de stad te bevrijden. Helaas is dat mislukt. Het effect van een verrassingsaanval bleef uit. Aan de kant van de Duitsers vielen meer dan 17000 doden en 9000 gewonden. Hier namen de Duisters wraak op. In het museum hangen dikke stapels aanplakbiljetten die over elkaar zijn geplakt met verordeningen en bekendmakingen van de personen die zijn geëxecuteerd. Meer dan 40.000 burgerslachtoffers werden geëxecuteerd door de Duitsers, in de hoop dat de Poolse opstandelingen zich over zouden geven.  

Het lukte de Polen nog om een paar honderd Joodse gevangenen uit het getto te bevrijden. De Polen vochten ondanks de massa-executies door. De Duitsers brandden en bombardeerden als tegenactie een groot deel van de stad plat. Toen het Rode Leger bij de stad aankwam verwachtte men dat men steun zou krijgen, maar niets was minder waar. De Poolse opstandelingen werden door Het Rode leger gevangen genomen en naar Siberië gedeporteerd. de enige hulp van buitenaf die men kreeg was van Het Eerste Poolse Leger. De burgerbevolking die nog over was leefde inmiddels in armoede en in erbarmelijke omstandigheden.

  Op 2 september probeerden 5300 burgers en opstandelingen via het rioolstelsel in wijken te komen die in handen waren van de opstandelingen. Er sneuvelden meer dan 150.000 Poolse burgers, en zo'n 18.000 opstandelingen. Op 2 oktober 1944 gaven de Armia Krajowa strijdkrachten zich over. Zij werden naar krijgsgevangenen kampen gestuurd. Een deel van de burgerbevolking die nog over was, werd naar werkkampen en concentratiekampen gestuurd. de overige burgers werden de stad uitgedreven. Hierna verwoestte het Duitsers leger bijna alles wat er nog over was van de stad, waarbij geen enkel historisch gebouw of monument mocht blijven staan. Na de oorlog werd de stad weer opgebouwd. De naam Armia Krajowa werd door het communistische leger gecensureerd. De opstandelingen werden door het communistische leger gearresteerd en werden in communistische propaganda afgeschilderd als een extreem rechtse groepering die geheuld had met de nazi's. Na de val van het communisme in 1989 werd 1 augustus een herdenkingsdag.

In 2004 werd het museum geopend. In dit museum kun je een film zien van een filmploeg die tijdens de opstand alles heeft gefilmd. Ook is er een 3D film die laat zien hoe de stad voor 85% verwoest was. vanaf het uitkijkplatform kun je zien hoe hard er in Warschau gebouwd wordt. Overal schieten nieuwe moderne gebouwen de lucht in. Sinds mijn bezoek aan Warschau in 2011 was de stad aanzienlijk moderner geworden. Een verslag over de tour die ik toen door het oude centrum van de stad en langs een aantal monumenten maakte vind je hier.

Chelmno

Vernietigingskamp Chelmno, of zoals de Duitsers het noemden, Kulmhof, ligt bij het plaatsje Chelmno. We reden hier vanuit Warschau op dag 2 naartoe. Die middag hadden we nog tijd om het museum in Warschau te bezoeken. Chelmno werd als plaats gekozen voor het vernietigen van o.a. Joden, Roma, Sinti en andere gevangenen, omdat het centraal lag tussen een op het platteland gelegen getto in Wartheland (een door de Duitsers geannexeerd gebied dat o.a. Poznan, Lodz en Warschau omvatte) en het getto van de stad Lodz. Toen er in de winter voedselschaarste dreigde op het platteland ontstond de vraag of het niet beter was om de mensen uit het getto op een snelle manier de dood in te helpen dan hen van honger te laten omkomen. Dit blijkt uit een briefje dat later gevonden is. Een speciaal Sonderkommando werd aangesteld om een dodenkamp te bouwen, waar onproductieve Joden konden worden omgebracht. Chelmno lag tussen de twee rivieren de Ner en de Warta. Chelmno lag dicht bij de treinverbinding tussen Kolo en Dabie.

   

   

De Duitsers kozen in het dorp een landgoed uit en maakten in het grote huis op het terrein een desinfectieruimte. Gebouwen in het dorp werden als kantine en brandweerkazerne in gebruik genomen. Ook de kerk en de pastorie die naast het landhuis lagen werden in bezit genomen, alsmede een groot terrein in het bos nabij Rzuchów, zo'n 4 km verderop. Vanaf 8 december1941 werden hier Joden naartoe getransporteerd. Het begon met de Joden uit de getto's van Kolo, Dabie, Izbica, Klodawa en Czachulec. Daarna volgden de Roma en de Sinti zigeuners uit Lodz. Dit was een dikke maand eerder dan de Wannsee conferentie die op 20 januari 1941 onder leiding van Reinhard Heydrich werd gehouden in Berlijn. De SS-top kwam hier bijeen om te spreken over de Endlösung der Judenfrage. Er was geopperd om alle Joden naar Madagaskar te exporteren. Er werd besloten om inderdaad alle Joden stelselmatig te gaan uitroeien. Op datzelfde moment waren de Einsatzgruppen o.l.v. Heinrich Himmler al door het land aan het trekken en voerden vele executies van Joden uit.

Aan de mensen die hier vanaf het station in vrachtwagens naartoe waren gebracht werd verteld dat zij naar werkkampen in Oostenrijk zouden worden gebracht. Men moest dan eerst gedesinfecteerd worden en de kleding zou worden ontluist. Er werd dus vriendelijk verzocht om de kleding uit te trekken voor men een douche moest nemen. Achter grote deuren aan de zijkant van het gebouw stonden vrachtwagens klaar. Men werd naakt deze gasvrachtwagens ingedreven. Als de wagen vol was werden de motoren aangezet. De uitlaatgassen werden naar de laadruimte geleid. Na een minuut begon het geschreeuw en gekreun vanuit de laadruimte. Na 20 minuten werd het stil. De vrachtwagens reden de 4 km naar het bos. Het kamp beschikte over in totaal drie vrachtwagens. Twee kleinere vrachtwagens waar 80 tot 100 mensen tegelijk in konden en een grotere waar 130 tot 150 mensen in gingen.

  Op de open plek in het bos waren Joodse gevangenen verantwoordelijk voor het leeghalen van de vrachtwagens. De lichamen lagen tot de halve hoogte van de vrachtwagen op elkaar gestapeld, geliefden soms met de armen over elkaar. Soms waren er nog mensen in leven, die dan door de SS-ers alsnog gedood werden. In eerste instantie werden de lichamen begraven in door Joodse gevangenen gegraven kuilen. Vele lagen lichamen werden over elkaar gelegd, zodat er zoveel mogelijk lichamen begraven konden worden. Vier enorme massagraven zijn op de twee velden in het bos gevonden. Er werden ook tien kuilen gevonden waarin lichamen waren verbrand. In de zomer van 1942 waren er vier noodcrematoria en werden er twee crematoria met ovens gebouwd, alsmede een botversnipperaar. De schoorstenen van de crematoria staken boven de bomen van het bos uit. In september 1942 waren alle mensen uit de getto's op die van Lodz na volledig vermoord. De Duitsers begonnen met het planten van bomen om bewijs te verdoezelen. Op 7 april 1943 bliezen ze het landhuis op. Daarna vertrokken ze naar de Balkan voor nieuwe opdrachten.

In 1944 werd besloten om het kamp weer te openen. Het getto van Lodz bestond nog steeds en er was besloten dat men ook de mensen ook dit getto in Kulmhof zouden doden. Het terrein naast de kerk werd met prikkeldraad afgezet. Het landhuis bestond niet meer. De gevangenen die op het kamp moesten werken sliepen er in de graanschuur, waar nu een heel klein museum is en waar een filmpje van een van de weinige overlevenden, Szymon Srebrnik, getoond wordt. Het is het enige overgebleven gebouw dat nog uit die tijd is overgebleven.

In het bos bij Rzuchów werden twee barakken gebouwd voor desinfectie, er kwamen twee nieuwe gasvrachtwagens en er werden twee nieuwe crematoria gebouwd. Tussen 23 juni en 14 juli 1944 kwamen er tien treinen met ruim 7000 mensen per trein aan in Chelmno. De mensen werden van het station in Chelmno naar de kerk naast het landgoed gebracht. In deze kerk moest men wachten tot men met vrachtwagens naar het bos werd gebracht. In de eerste periode dat het kamp in gebruik was, werd de kerk ook als wachtruimte gebruikt voor mensen uit de transporten die niet direct naar de desinfectieruimte konden. Toen het Rode Leger oprukte werd besloten om het kamp te sluiten en alle nog staande constructies te verwoesten. De gevangenen die nog in het kamp actief waren werden in de graanschuur vermoord. Twee wagens verlichten met hun koplampen de graanschuur, in groepjes van vijf worden alle gevangenen naar buiten gebracht en neergeschoten. Als het vierde groepje naar buiten wordt geleid, stormt Miecszieslaw Zurawski met een mes dat hij heeft op de bewakers af, die net even niet op staan te letten. Hij wordt niet achtervolgd, verdwijnt in de bosjes en weet te ontsnappen. Tijdens de chaos die er ontstaat tijdens zijn aanval komen de gevangenen in de graanschuur in opstand en vermoorden daarbij twee bewakers. Ze pakken de wapens van deze bewakers en beginnen te schieten. De commandant laat dan de deuren van de graanschuur sluiten en deze in brand steken. Al gauw staat de hele graanschuur in brand. Alle 45 gevangenen in de graanschuur worden in de schuur levend verbrand. Szymon Srebrnik getuigt later hoe hij bij de eerste vijf zit die door het hoofd geschoten worden. Hij wordt niet goed geraakt, valt en komt later bij terwijl de SS-ers alle gevangenen in de graanschuur aan het vermoorden zijn. Hij kruipt naar een van de wagens, breekt de twee koplampen van de auto en maakt van het donker gebruik om te vluchten. Hij is dan slechts 13 jaar. Ondanks dat de kogel door zijn nek, mond en neus ging overleeft hij als een van de weinigen kamp Chelmno.

Wij bezochten, na het museum, eerst de plek in het bos en daarna nog de kerk, die nu weer in gebruik is en waar op het moment dat wij in het kamp waren een begrafenis plaatsvond. Op de plek waar wij bij het bos aankwamen stond een enorme herdenkingsmuur. Achter de muur was een enorm veld. Op dit veld lagen twee grote en meerdere kleinere borders gevuld met grind. De grote grindvlakken boven de massagraven, de kleinere op de plek waar de crematoria, de brandkuilen en de botversnipperaar waren geweest. Op het veld vindt men (vooral na regenval) nog regelmatig kleine of grotere stukjes menselijk bot. Nadat de lichamen in de crematoria waren verbrand (dit duurde zo'n 15 tot 20 minuten per lichaam) werd de as uitgestrooid over het veld, of in zakken gestopt en later uitgestrooid boven de Warta. De grotere stukken bot werden in de botversnipperaar gestopt en ook deze resten werden verstrooid. Op het veld staan meerdere monumenten voor de mensen uit de verschillende getto's. Er staat ook een grote Davidster die boven het veld uit steekt en over de graven waakt.  

Via een pad liepen we naar het tweede veld. We liepen over een bruggetje dat over een massagraf gaat waar veel Roma en Sinti liggen. De menselijke resten van deze slachtoffers laat men hier liggen, want vanuit de Roma en Sinti cultuur mag je het lichaam nadat het begraven is niet meer verplaatsen. Hier in dit gebied liggen ook nog twee grote massagraven, het ene was dus het graf waar we overheen liepen. Hier vlakbij was ook het pad, waar vroeger de weg was waarover de gasvrachtwagens hier aankwamen. Ook hier langs dit pad stonden verschillende monumenten. Een bijzonder monument, is het monument voor de Tsjechische kinderen uit Lidici.

Het dorp Lidici moest de dood van Reinhard Heydrich bekopen. Reinhard Heydrich, het brein achter de Endlösung, werd op 27 mei 1942 slachtoffer van een aanslag. Een Hongaarse en Tsjechische soldaat werden uitgezonden door Engeland om dit te doen. Heydrich reed in zijn open auto met chauffeur (vanwege de open auto droeg hij wel een kogelvrij vest) door Praag, op weg naar het vliegveld toen er op hem geschoten werd. Het pistool weigert en Heydrich wordt dus niet geraakt. Daarop wordt er een granaat naar de auto gegooid. Ook deze raakt Heydrich niet. Wel schiet er een granaatscherf door de bank en neemt vuil en een paardenhaar uit de bekleding van de bank mee. Het maakt slechts een klein gaatje en komt zo in de milt van Heydrich terecht. Die lijkt niet erg gewond en niemand maakt haast om hem naar het ziekenhuis te brengen. Bij het ziekenhuis aangekomen wordt hij uiteindelijk geopereerd, de arts maakt een enorme snee om dit te kunnen doen. Deze snee gaat infecteren (waarschijnlijk door de bacteriën aan de paardenhaar) en zijn buikholte raakt ontstoken. Op 4 juni overlijdt Heydrich aan zijn verwonding. Hij had gered kunnen worden als hij penicilline toegediend had gekregen, maar die in Engeland vervaardigde stof was in de oorlogstijd niet in het Duitse Rijk voor handen.

  De Duitsers namen vreselijk wraak op de bevolking in Tsjechië. De aanslagplegers verborgen zich in een kerk in de stad, maar werden verraden. Zij pleegden zelfmoord, voordat de SS'ers hen te pakken kregen. Op de dag na de moord op Heydrich werd het dorp Lidici het doel van de wraakactie. Het wordt willekeurig uitgekozen. Een geheimzinnige brief van een verliefd stelletje wordt door de Duitsers bewust aangegrepen en genoemd als een brief van de mogelijke daders. Ze weten op dat moment al lang dat de brief niet van de daders is. Alle mannen uit het dorp werden 5 na 5 gefusilleerd tegen een muur waar matrassen tegenaan stonden. Het duurt uren, voordat alle mammen uit het dorp, 173 in totaal, vermoord zijn. Alle vrouwen worden naar concentratiekamp Ravensbrück gedeporteerd. De kinderen moeten door een speciale selectie. De kinderen met een sterk Arisch uiterlijk worden naar Duitsland gestuurd voor heropvoeding in Arische gezinnen. De overige 82 kinderen worden naar Chelmno vervoerd waar ze in de gasvrachtwagens omkomen. Het dorp wordt volledig geplunderd en daarna met de grond gelijk gemaakt. Graven worden ontheiligd. De Duitsers halen alle kostbare spullen uit de graven. Alle gebouwen in het dorp worden verwoest, de grond wordt omgeploegd, bomen worden omgehakt en er wordt zelfs zout in de bodem gestrooid, zodat er nooit meer iets in het dorp zal groeien.

Op een groot veld iets verderop staat een groot monument voor de slachtoffers van het fascisme. In een hoek van het veld staan een heleboel grafstenen overeind. Het zijn geen graven, maar het zijn grafstenen die de SS'ers hadden gebruikt als het plaveisel van een weg. Na de oorlog werden deze grafstenen hierheen gebracht en weer recht overeind gezet uit eerbetoon aan de personen die op de stenen genoemd worden.

Het grote monument voor de slachtoffers van het fascisme staat bol van symboliek. Het symboliseert een sarcofaag. Van bovenaf gezien symboliseert de vorm van het monument de Davidster. Op een zijkant van het monument zie je slachtoffers die in een gasvrachtwagen gaan en daarna opstijgen naar de hemel. Daarna volgt er een breuk die de leegte symboliseert die de slachtoffers achterlieten. En op het volgende vlakke stuk staat het woord Pamietamy, wat 'we zullen niet vergeten' betekent. Aan de andere kant van het monument staan op de zijkant allemaal namen van dorpen en steden waar de slachtoffers vandaan kwamen.  

In totaal zijn er tussen 152.000 en 350.000 mensen omgekomen in het kamp in Chelmno. Er zijn door de jaren heen verschillende schattingen gemaakt. Het laatste cijfer ligt veel meer voor de hand dan het eerste, maar exact kan men het niet zeggen, omdat er geen registratie van de transporten en vergassingen werd bijgehouden in het kamp.

Treblinka

Vanuit Warschau reden we langs Treblinka en Sobibor naar de stad Lublin. Over Treblinka was ik al veel te weten gekomen door de boeken van Samuel (Samek) Willenberg en Richard Glazar te lezen. Beide hebben ze Treblinka overleefd, doordat ze tijdens de opstand van 2 augustus 1943 wisten te ontsnappen en hebben hun tijd in Treblinka in boeken beschreven. Treblinka was samen met Belzec en Sobibor een van de Operatie Reinhard (naar Reinhard Heydrich) kampen, die onder leiding van de Oostenrijker Globocnik vielen. Hij werd door Himmler aangewezen om vernietigingskampen op te richten voor de Joden uit de getto's in de omgeving van Lublin. Deze kampen werden gebouwd met als enig doel de uitroeiing van niet Ariërs. Joden, Sinti, Roma, gehandicapten, homoseksuelen e.a werden hier naartoe getransporteerd om gedood te worden, zodat de Arische samenleving gezuiverd zou worden. Waar eerder gehandicapten door middel van een spuitje in de sanatoria werden omgebracht, gebeurde dit nu in de gaskamers. De Joden die al gedwongen werden om in getto's in steden te wonen werden op overvolle transporten gezet. Soms 80, maar soms ook 200 man in 1 wagon, dit hing af van de lengte van de reis van het getto naar het kamp.

Treblinka werd gebouwd na Belzec en Sobibor. De bouw van het vernietigingskamp startte in mei 1942 en in juli 1942 was het klaar. Dit kamp werd Treblinka II genoemd. Eerder was er al een werkkamp met de naam Treblinka I in dezelfde omgeving gebouwd. De gevangenen uit Treblinka I die het kamp moesten bouwen, werden er als eerste vergast. Het kamp was slechts 400 m bij 600 m groot. Op de vier hoeken stonden wachttorens en het kamp was omheind met prikkeldraad waartussen takken met bladeren werden gestoken, zodat je van de buitenkant niet kon zien wat zich binnen het kamp afspeelde. Daar binnen nog een omheining van prikkeldraad. Tussen deze omheiningen zat op sommige plekken een ruimte van wel 40 tot 50 meter. Het Unteres Lager (Lage Kamp) bestond uit een Wohnlager en het Auffanglager, waar de mensen uit de transporten werden opgevangen en hun spullen gesorteerd werden. Het Oberes Lager (Hoge Kamp) bestond uit het Totenlager. Het woongedeelte van de SS besloeg zo'n 100 X 100 m. Hier was zelfs een dierenparkje gebouwd.

   

 

De treinen, vooral uit Warschau en Bialystok, arriveerden op het perron. De treinen met 40 tot 60 wagons werden in 3 secties verdeeld, Wie niet in de eerste sectie zat moest wachten, totdat de tweede of derde sectie aan de beurt was. Men zat in deze wagons, zonder eten en drinken, soms dagen lang. Niet iedereen kon tegelijk zitten of liggen. Soms stond er een emmer in de wagon om de behoefte op te doen. Men kwam vreselijk vervuild en hongerig in het kamp aan. Vaak stierven er mensen in de trein, heel af en toe  werd er ook wel eens een baby geboren in de trein. Er waren treinen waarin de mensen onderweg  al beroofd werden door de bewakers, soms werden vingers met ringen voor dat doel gewoon afgesneden. Soms werd men bij vertrek al naakt in de trein gezet (meestal kwam men gekleed aan). Soms waren lijken aan elkaar gevroren in de trein en vielen er ledematen af als de gevangenen van het kamp de lijken uit de treinen haalden. Er waren soms transporten waarbij niemand levend uit de trein kwam. Wie de treinreis wel overleefde werd opgewacht op het perron. Er werd met misleidende bordjes gesuggereerd dat men op een echt station aan kwam, dit nepstation werd eind 1942 gebouwd in opdracht van Franz Stangl, de kampcommandant. Er waren borden met zogenaamde vertrektijden en er was een handgeschilderde klok die altijd op 18:00 u stond.

  De trein reed van het station in Malkinia de laatste 10 km richting Treblinka, een klein dorp. Op het perron stonden de leden van het Blaue Kommando (allen gevangenen) de trein op te wachten, onder bewaking van een aantal SS'ers en een aantal Oekraïense bewakers. (Deze Oekraïense bewakers, waren soms krijgsgevangenen, maar ook vaak leden uit het Rode Leger die zich bij de Duisters hadden aangesloten.) Op het perron moest men snel uit de trein: 'Schnel, schnel, raus, raus!' Wie niet snel kon door ziekte, ouderdom of zwakte, of slecht ter been was werd meteen geselecteerd. Deze mensen werden op karren rechtstreeks naar het lazaret gebracht, waar men werd doodgeschoten d.m.v. een nekschot. De mensen die overbleven werden van elkaar gescheiden. Mannen apart van de vrouwen en kinderen. De mannen naar de barak aan de rechterkant en de vrouwen en kinderen naar de linkerbarak. Koffers konden achterblijven op het perron, die zouden ze later weer terug krijgen. 'U wordt tewerkgesteld, maar het is beter als u eerst gereinigd en ontluisd wordt. Geeft u uw kleren maar. Hier hebt u een bonnetje. Goed bewaren, zodat u later uw kleren netjes gewassen weer terug kunt krijgen. Ja hoor, uw vrouw en kinderen ziet u daarna weer terug!'

Wie niet geselecteerd werd door de SS om kampwerk te gaan verrichten moest zich uitkleden en werd daarna naakt door een ongeveer 4 meter brede en zo'n 100 m lange sluis (de 'Slauch') van prikkeldraad met takken geleid, die uitkwam bij de gaskamers. Na de mannen volgden de vrouwen en kinderen hetzelfde traject, alleen werd bij de vrouwen eerst hun haar nog afgeschoren. Dit haar werd door de Duitsers gebruikt voor meerdere doeleinden, er werden o.a. dekens, waterdichte kleden en vullingen voor torpedokoppen voor onderzeeërs van gemaakt.

De gevangenen van het Rotes Kommando hielden zich daarna bezig met het sorteren van de kleding en bezittingen van de vergaste personen. De kleding werd gedesinfecteerd en op transport gezet naar grote distributiecentra. Daar werd de kleding verkocht of de kleding werd uitgedeeld aan de arme Duitse bevolking. Daarmee maakte men propaganda voor het Rijk. Soms kwamen de SS'ers eerst zelf een mooi jas of laarzen uitzoeken uit de verzameling kleren. Voor de gevangenen die bij het Rotes Kommando zaten was het een zege om bij het Kommando te werken. Deze gevangenen konden voor zichzelf steeds nieuwe kleren uitzoeken, tenzij ze niet de duurste en mooiste kleren uitzochten, want dan stak de SS daar een stokje voor. Na het bezoek van Himmler, in maart 1943, aan het kamp, was dit niet meer mogelijk. Als men te mooie kleren aan had was het bij een ontsnapping te makkelijk om zich schuil te houden. Daarom werden na dat bezoek alle gevangenen kaal geschoren en moesten zij driehoekige stukjes leer dragen in verschillende kleuren.  

Verder had je in het kamp nog het Waldkommando. Het Waldkommando hakte takken van bomen af, zaagde bomen om en zorgde voor hout voor de constructies in het kamp. Wie bij het Waldkommando zat had de mogelijkheid om buiten het kamp met de boeren uit de omgeving wat te regelen. Eten te 'organiseren'. Wie goed kon organiseren kon onderhandelen en makkelijker in leven blijven. Dit moest wel een beetje stiekem gebeuren, maar de bewakers knepen vaak een oogje toe als zij ook mee konden profiteren van het georganiseer. En zo voorkwamen zij dat de gevangenen pogingen namen om te ontsnappen. Tegenover de boeren uit de omgeving moesten de gevangenen zich gedragen alsof zij in een werkkamp zaten en alsof zij het daar prima naar hun zin hadden. Daarom moesten zij vaak het lied 'Man uit de bergen' zingen als zij door het bos liepen.

Het Tarnungkommando was er verantwoordelijk voor dat alle omheiningen zo dicht gestoken waren met dennentakken dat er van de buitenkant van het kamp niets te zien viel van wat er aan de binnenkant gebeurde. De Hofjuden waren de Joodse vaklui, die vakwerk voor de Duitsers moesten verrichten, zoals de goudsmid, de kleermaker etc.   De Goldjuden o.l.v. Suchomel waren verantwoordelijk voor het verzamelen van al het goud en alle waardepapieren die de slachtoffers bij zich droegen, ook de gouden kronen uit het gebit. Suchomel vertelt in de documentairefilm Shoah(1985) hoe hij vreselijk moest huilen toen hij voor het eerst de doden uit de gaskamer had gezien. Toch voerde hij het bevel over de aankomende transporten en het bevel over de Goldjuden. Die opdracht was hem gegeven en die diende hij goed uit te voeren. Ook zingt hij in de documentaire het Treblinka lied. Een lied dat speciaal was geschreven als kamplied voor Treblinka en wat alle gevangenen elke dag tijdens het appèl moesten zingen. Een regel uit de tekst gaat als volgt: Für uns gilt heute noch Treblinka, daβ unser Schiksal ist.

Als laatste waren er nog de gevangenen in het Sonderkommando, das Blaue Kommando. Deze gevangenen waren verantwoordelijk voor het verwerken van de lijken als de gaskamers open gingen. In de beginmaanden dat het kamp bestond waren er 3 gaskamers van 4 x 4 m en 2,6 m hoog. Net zoals in Sobibor. In een kleine ruimte die aan het gebouw vast zat stond een hele grote dieselmotor die koolmonoxide gas produceerde. De deuren van de gaskamers konden hermetisch worden afgesloten. De wanden waren voor een deel bedekt met witte tegeltjes en aan het plafond hingen douchekoppen, zodat de gevangenen dachten dat ze inderdaad gereinigd zouden worden. In werkelijkheid kwam er gas uit. Er was geen licht in de gaskamers.

Het kamp kon de grote transporten niet aan, de dieselmotoren vielen om de haverklap uit. De gevangenen in de gaskamers moesten dan in doodsangst wachten tot deze het weer deden. Treinen stonden dagen te wachten, mensen werden in het Auffanglager doodgeschoten en overal lagen lijken. In augustus 1942 kwam Franz Stangl vanuit  Sobibor naar Treblinka en werd er kampcommandant. Hij volgde er Dr. Eberl op. Kurt Franz, kwam met hem mee en zou hem assisteren. Franz werd in augustus 1943 Stangls opvolger. Stangl liet al in september beginnen met de bouw van nieuwe gaskamers. Terwijl het werk in de oude gaskamers gewoon doorging werden er 10 gaskamers van 4 x 8 m naast de oude gaskamers gebouwd. De hoogte van deze kamers was nog maar 2 meter, om te voorkomen dat kleine kinderen niet door het gas zouden sterven (dit was in de oude hogere gaskamers nog wel eens het geval). In deze nieuwe gaskamers konden in totaal 3800 mensen tegelijk vergast worden. In de oude slechts 600.

  De lijken werden in die tijd nog begraven in grote kuilen van 5 tot 7 m diep. De grond boven de kuilen die al vol waren welde soms op en golfde door alle gassen die uit de lijken vrij kwamen. De stank was nauwelijks te harden. Na het bezoek van Himmler in maart 1943 werd opdracht gegeven om de lijken op te graven en te verbranden. Hijskranen takelden de lijken uit de graven. De lijken konden niet in de graven verbrand worden, want op een diepte van 5 meter kwam er geen zuurstof bij. De lijken werden op een grote grill, gemaakt van stukken treinrails verbrand. Het vuur kringelde hoog boven het bos uit en was in de wijde omtrek te zien. De stank was ook vele kilometers buiten het kamp te ruiken.
Naast de gaskamers, de grill en de massagraven waren er in dit deel van het kamp, Het Hoge Kamp, ook barakken voor de gevangenen van het Sonderkommando. Wie eenmaal in het Sonderkommando was aangesteld kon nooit meer terug naar de oude barakken. Eens in de zoveel tijd, in sommige perioden elke avond, werd het Sonderkommando zelf vermoord en dan werd er weer een nieuw Sonderkommando aangesteld. Ook vond je hier het Lazaret. Het lazaret werd gecamoufleerd door een omheining met takken. Voor men bij het lazaret kwam liep men door een gebouwtje met een vlag met een rood kruis erop. Mensen die er aankwamen dachten dat ze bij het ziekenhuis waren. Eenmaal door het gebouwtje kwam men bij een diepe kuil met houten bankjes er langs. De zwakken uit een transport werden hier naartoe gebracht. Zij moesten op de bankjes gaan zitten en werden dan d.m.v. een nekschot vermoord, waarna zij voorover vielen in de kuil. Ook gevangenen die eerst in het kamp gewerkt hadden, maar volgens de SS-ers straf verdienden, of te zwak waren kwamen hier om het leven.  

In Het Lage Kamp had je de barakken van de gevangenen die in het kamp werkten, alsmede de werkplaatsbarakken en de woonverblijven van de SS'ers en Oekraïense bewakers. De Revierstube was het ziekenhuis voor de gevangenen. Ook het deel waar de gevangenen het kamp binnen kwamen hoorden hierbij. En de sorteerbarakken. Het kamp kon het verwerken van de  hoeveelheid bezittingen en kleding van de slachtoffers lang niet aan met het gevolg dat er op het sorteerplein constant een metershoge bult met kleren lag, die zelfs van buiten het kamp te zien was.

De leiding van het kamp was dus in handen van kampcommandant Franz Stangl en later Kurt Franz. Kurt Franz, die Lalka werd genoemd door de gevangenen, was iemand waar iedereen bang voor was. Hij had een Sint-Bernard die hij had getraind om mensen aan te vallen. Dit monster scheurde zonder pardon gevangenen helemaal kapot. Franz schoot ook zonder pardon en zonder aanleiding gevangenen dood.

De Oekraïense bewaker Iwan 'de verschrikkelijke' Marchenko, die bij de gaskamers werkte liep rond met een ruiterzwaard en gebruikte dit meermaals om gevangenen kapot te scheuren. August Miete, die door de gevangenen 'De Engel des Doods' werd genoemd had de leiding over het lazaret. Miete deed de selectie in het kamp. Wie te ziek of te zwak was werd meegenomen en doodgeschoten in het lazaret door hemzelf of door een van zijn assistenten. Ook ging hij bij de gevangenen op zoek naar waardevolle spullen of eten die zij 'georganiseerd' hadden. Als hij bij een gevangene iets vond werd deze eerst mishandeld en daarna naar het lazaret gebracht. Als hij bij een gevangene niks vond, gebeurde vaak hetzelfde.

Het is heel moeilijk te zeggen hoeveel mensen hier tussen 23 juli 1942  en mei 1943 de dood vonden. Er kwamen ongeveer 265.000 Joden uit het Joodse getto in Warschau naar Treblinka, 346.000 uit het Radomdistrict en 33.000 uit Lublin. Er kwamen ook een paar transporten uit Theresienstadt, Bialystok, Griekenland, Bulgarije, Macedonië, Slowakije en Roemenië. Rond 31 december 1942 zouden er al 713.555 Joden omgekomen zijn. Tot halverwege 1943 kwamen daar nog vele duizenden bij. Er was geen exacte registratie. Men gaat uit van een dodental tussen 870.000 en 925.000.

In augustus 1943 was er een grote opstand onder de gevangenen. De gevangenen wisten dat er steeds minder transporten aankwamen en dat het kamp waarschijnlijk al snel gesloten zou gaan worden, wat onherroepelijk hun dood zou betekenen. Dus beraamden een aantal gevangenen een plan om te ontsnappen. Er heerste tyfus in het kamp en er was steeds meer honger. Dit eiste begin 1943 veel slachtoffers. Het was het moment om in opstand te komen.

Er ontstond binnen het kamp een verzetsgroep, die in het geheim de organisatie op zich nam. Onder andere Dr. Chorazycki, die in de revierstube werkte, Kapo Kurland (een 'goede' kapo van het lazaret, de Tsjechische Zjelo Bloch en Moshe Lubling, een Goldjude, zaten in deze groep. Het was voor de groep belangrijk dat er wapens 'georganiseerd' gingen worden. Dit was niet zo gemakkelijk. Toen een van de Joodse gevangenen een sleutel moest maken voor een nieuw wapendepot werd er in het geheim een reservesleutel gemaakt, die in handen kwam van het organisatiecomité. Er werden onder de gevangenen verschillende gevechtsgroepen gevormd. Maar niet alles verliep vlekkeloos.

Oberscharführer Küttner beschuldigde Bloch op een keer van het achterover drukken van kleding, daardoor werd men voorzichtig. Dr Chorazycki redde het niet tot de opstand. Kurt Franz zocht hem op en er ontstond om onbekende reden een worsteling. Chorazycki die zieke gevangenen gif toediende, voordat ze naar het lazaret zouden worden gebracht, had ook altijd zelf gif bij zich, voor het geval dat hij ooit zelf naar het Lazaret gebracht zou worden. Hij nam tijdens de worsteling dit gif in en overleed voordat hij vermoord kon worden door Franz.

 

Ex-gevangene en kunstenaar Samek Willenberg schetste het kamp

 

 

 

Het Lazaret  

 

 

De Rampe en de Sorteerplaats

De geplande datum voor de opstand werd door deze tegenslagen keer op keer uitgesteld. Gelukkig werd de organisatiegroep wel weer aangevuld met nieuwe leden. Kampoudste Galewski deed goed werk voor het verzet. Wiernik legde contacten tussen het Lage en het Hoge kamp. Toen de laatste lichamen bijna allemaal waren verbrand en er geen nieuwe transporten meer kwamen, werd de datum voor de opstand vastgesteld op 2 augustus aan het eind van de middag, zodat men in het donker meer kans zou hebben om te ontsnappen. Kurt Franz en een aantal andere bewakers zouden die dag niet in het kamp zijn.

Vanuit het wapendepot had men wapens en granaten gehaald. Men zou op een afgesproken tijdstip aanvallen. Küttner betrapte eerder die dag echter een Jood met geld en om deze jongen te redden van de dood en om te voorkomen dat hij iets zou zeggen over de opstand besloot men om op dat moment al aan te vallen. Granaten werden gegooid, benzinevaten werden tot ontploffen gebracht. Het vuur werd geopend op de bewakers en de andere gevangenen probeerden massaal via de omheining te ontsnappen. Meer dan de helft van de ongeveer 850 gevangenen kwam hierbij om het leven. Er waren niet genoeg wapens verdeeld om lang tegenstand tegen de bewakers te bieden. Het was echter zo'n 100 gevangenen wel gelukt om te ontsnappen uit het kamp, maar eenmaal daarbuiten wachtten hen nieuwe problemen. Er werd een klopjacht gehouden. Van de Poolse bevolking hoefde men niet veel te verwachten. Er waren maar weinig Polen bereid om Joden te helpen. De angst voor de Duitsers speelde hierbij een rol, maar ook een antisemitische houding richting Joden was hier een reden voor. Er werden heel veel ontsnapten weer teruggebracht en doodgeschoten. Er zijn uiteindelijk maar een paar gevangenen overgebleven die uit Treblinka hebben weten te ontsnappen. Er is niet precies bekend hoeveel dit er waren, men schat het aantal op rond de 40.

Richard Glazar schreef het boek Ontsnapt uit Treblinka, Samuel (Samek) Willenberg schreef Ik overleefde Treblinka. (Kijk op de pagina leestips voor meer informatie.)

Toen wij bij Treblinka aankwamen bezochten we eerst het museum. In dit museum werd een filmpje getoond met een reconstructie van het kamp in 3D. Hierdoor kreeg je een goed idee van hoe het kamp er in die tijd moet hebben uitgezien.

Ook de grote maquette die in het museum te vinden is helpt goed bij de beeldvorming. De grote getekende platen van Samek Willenberg, een Treblinka overlevende die na de oorlog schetsen heeft gemaakt van Treblinka en hoe het er uit zag, laten exact zien hoe het er toen uitzag in het kamp. Het tweede filmpje wat we zagen was een interview met Samek Willenberg. In dit filmpje vertelt hij onder andere over Ruth Dorfman. Tijdens zijn verblijf in Treblinka moest Samek eens assisteren bij het knippen van de haren van de vrouwen die naar de gaskamers gingen. Een van de vrouwen die, terwijl ze al naakt is, door hem geknipt werd was Ruth Dorfman. Ze vraagt hem of ze lang zal lijden. Ze is een van de weinigen die onder ogen durft te zien wat er staat te gebeuren. Samek zegt tegen haar: 'Niet lang.' Langzaam loopt ze richting de gaskamer. Dat beeld zat Willenberg altijd bijblijven. De getuigenissen van Samek Willenberg en andere overlevenden uit Treblinka zie je in de volgende documentaire. Samek beschrijft zijn verblijf in Treblinka in zijn indrukwekkende boek. Hij beschrijft hier onder andere in hoe hij een medegevangene en vriend op zijn verzoek doodschiet, omdat deze gewond is geraakt en te zwak is om nog te kunnen vluchten. Hoe hij na zijn vlucht zowel zijn vader als zijn moeder weer vindt. En hoe hij nog aan de zijde van de Partizanen via de AK en de PAL tegen de Duitsers vecht. Ook bij de AK is hij zijn leven niet zeker wanneer ze erachter komen dat hij een Jood is. In Warschau helpt hij bij het beschermen van bruggen, totdat het Rode Leger de stad bevrijdt. In 1948 getuigde hij tegen bewakers uit het kamp.


Vanuit het museum liepen we over een lang pad naar de plek waar vroeger de trein aan kwam. Hier zie je grote granieten bielzen op de plek waar ooit het spoor lag. Het spoor loopt tot het perron waar vroeger de gevangenen moesten zijn aangekomen. Vanaf het perron loop je naar een groot open veld in het bos. Dit was vroeger de plek waar de Himmelstraβe rechtstreeks naar de gaskamers liep. Je loopt eerst langs een aantal hele grote rechtopstaande stenen met daarop de landen van waaruit transporten in Treblinka aankwamen. Er is niks bekend over Nederlanders in Treblinka, er zijn geen transporten vanuit Nederland naar Treblinka gegaan. Op de plek waar eerst drie en later dertien gaskamers waren staat nu een groot monument. Het is een 8 meter hoge zuil waar de menora in staat gegraveerd en die een grafsteen symboliseert. Er omheen staan granieten stenen, waarop de namen staan van de dorpen en steden waaruit gevangenen naar Treblinka werden gedeporteerd. Het symboliseert een begraafplaats op de plek waar de as van ruim 800.000 ligt uitgestrooid. Er is slechts 1 steen met een naam erop. Dat is de gedenksteen van Janusz Korczak (Henryk Goldszmit) een Poolse kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver die in het getto van Warschau 2 kindertehuizen opende voor Joodse weeskinderen. Er werd hem meerdere malen hulp aangeboden om levend uit het getto te komen, maar hij bleef bij zijn weeskinderen. Hij woonde in het tehuis. Op 5 augustus 1942 werden alle weeskinderen samen met hem op transport gezet. Al deze kinderen kwamen om in Treblinka.

 

 

Een rechthoekig veld gevuld met gesmolten basalt laat de plek zien waar de lijken verbrand werden op ijzeren roosters gemaakt van treinrails. Daarachter ligt nog een veld met granieten stenen. In totaal staan er op het veld 17.000 stenen. Er waren nauwelijks andere bezoekers toen wij er waren. Er heerste een serene rust op deze plek die ooit de hel op aarde was. Dit kamp heeft door alle verhalen die ik erover had gelezen, door de symboliek van de monumenten en de rust tijdens ons bezoek een immense indruk op me achtergelaten. Van alle kampen op deze reis kon ik me in dit kamp het best een voorstelling maken van hoe het er daar toen op die exacte plek moest zijn geweest.

Sobibor

In Sobibor wordt hard gebouwd aan een herinneringscentrum en museum. Er is wel een museum geweest, maar dat werd een aantal jaren geleden gesloten vanwege geldgebrek. Het Nederlandse ministerie van VWS steunt het initiatief voor het nieuwe herinneringscentrum financieel. Het zou in oktober 2018 open moeten gaan. Het kamp wordt nog maar weinig bezocht, zo'n 20.000 bezoekers per jaar. Er staan nauwelijks bordjes die aangeven waar het voormalige kamp is.

  We reden met de bus naar het perron waar vroeger de treinen aankwamen. Hier ligt een stuk treinrails dat een eindje verder ophoudt. Sobibor ligt in een moerasachtig bosgebied. Het groene huis van de kampcommandant staat er nog en is een gewoon woonhuis. Ernaast zijn andere huizen gebouwd. Aan de overkant van het perron was het oude station van Sobibor wat er toen ook al was en het oude bord met Sobibor erop staat ergens verscholen in de struiken aan de andere kant van het spoor. Het spoor vertakte zich hier vlak voor het kamp. Het spoor naar het kamp liep door een poort. Tussen dit spoor en het spoor naar het station van het dorp Sobibór was een afscheiding gebouwd, zodat men niet kon zien wat er gebeurde met de transporten die in het kamp aankwamen. Anders dan in Treblinka liep hier vanaf het spoor nog een smalspoor, waarover een karretje reed waarop de overleden, zieke, zwakke en oude mensen uit het transport rechtstreeks naar de gaskamers werden gebracht. Aan de Rampe staat een groen gebouw. Dit was het huis van de kampcommandant. Aan de overkant staat nog het oude stationsgebouw, waar voor de belangrijkste SS-ers uit het kamp zich hebben laten fotograferen.

 

 

 

 

Ook in Sobibor staat op de plek waar de gaskamers waren sinds de jaren '60 een grote zuil. Verder staat er nog een hele grote sculptuur van een moeder met een kind, deze sculptuur is naar een plek dichter bij het nieuw te bouwen visitor centre verplaatst. Het Mausoleum is een grote platte piramidevormige bult van zand vermengd met as en vermalen menselijke botten. In de hele omgeving van voormalig Kamp III werden stukjes bot gevonden. Dit was de plek van de massagraven, de lijkverbranding en de plek waar de botten vermalen werden en de menselijke resten werden uitgestrooid. Er werd in de jaren '60 ook een herdenktekst op een koperen plaat opgehangen. De tekst refereerde niet aan de Joodse afkomst van de meeste slachtoffers. Mede door de inzet van de Poolse Sobibor overlevende Thomas 'Toivi' Blatt is er in 1993 voor deze tekst een nieuwe tekst verschenen in 8 talen, die op een herdenkmuur is geplaatst. Deze herdenkmuur heb ik bij ons bezoek aan Sobibor niet gezien. Het kan zijn dat deze verplaatst was, of op een plek stond waar wij vanwege de bouw van het nieuwe museum niet konden komen.  

Op 14 oktober 2003 werd er een pad, met links en rechts groene dennen, de Gedenklaan geopend. Deze Gedenklaan is mede tot stand gekomen door de giften van de Schelvis Foundation. Jules Schelvis werd vanuit Westerbork op transport gezet naar Sobibor, maar werd geselecteerd om in het werkkamp Dorohucza te gaan werken. Zijn vrouw en andere familieleden overleden in de gaskamer in Sobibor. Schelvis overleefde als enige zijn transport van 3006 Joden. Aan het begin van deze Gedenklaan staat een steen ter nagedachtenis aan Rachel Schelvis. Nabestaanden van Sobibor slachtoffers kunnen langs dit pad een gedenkplaatje op 1 van de gedenkstenen laten plaatsen. Deze Gedenklaan ligt op de plek waar vermoedelijk een deel van de gang naar de gaskamers liep. Later werd de exacte locatie van deze gang door een team van archeologen gevonden.

 

 

 

 

Sobibor was samen met Belzec en Treblinka een Operatie Reinhard kamp. Het kamp werd in maart 1942 gebouwd en vanaf eind april / begin mei werd het een actief vernietigingskamp. Er werkten veel Duitsers en Oostenrijkers die daarvoor het euthanasie programma uitvoerden, waarbij gehandicapte of zwakke Duitsers en Polen in tehuizen vermoord werden met een fatale injectie. Ook werden er 12 SS-ers aangesteld. En er waren 120 tot 150 Oekraïense bewakers uit het werkkamp in Trawniki, de Trawnikimänner. Tijdens de bouw van het kamp was Richard Thomalla de commandant van het kamp. Hij werd in april 1942 opgevolgd door Franz Stangl en na het vertrek van Stangl naar Treblinka in augustus '42 nam Franz Leichleitner het commando over. SS-er Gustav Wagner was een bruut die zonder pardon baby's wegnam bij hun moeders en ze in het bijzijn van de moeders aan stukken scheurde. Ook martelde hij de gevangenen door hen bijna dood te slaan. daarna vermoorde hij ze met een schot uit zijn revolver. Karl Frenzel was een van de meest gevreesde SS-ers, hij vermoordde ook zonder reden en zonder pardon vele gevangenen. In de lente van 1943 heeft Himmler het kamp bezocht. Bij die gelegenheid werd er een speciaal transport van jonge Joodse meisjes uit Majdanek overgebracht om hier in Sobibor te worden vergast.

In Sobibor werden vooral Joden uit het Lublin district vermoord, maar er kwamen ook buitenlandse transporten uit Duitsland, Oostenrijk, de Bohemen en Slowakije aan. Eerst waren er 3 gaskamers van 4m x 4m in een houten gebouw. Het gas kwam van een Russische benzinemotor. Tussen juni en september 1942 werd er een stenen gebouw gebouwd, met daarin 6 gaskamers waarop twee motoren waren aangesloten die het koolmonoxidegas produceerden. Het vergassen duurde ongeveer 20 tot 30 minuten. Het hele proces van de aankomst op het perron tot het ontruimen van de gaskamers duurde ongeveer twee uren. Van een trein van ongeveer 60 wagons konden er 18 tot 20 wagons tegelijk ontruimd en vergast worden.

  Er waren ongeveer 600 gevangenen permanent in het kamp aanwezig om het kampwerk uit te voeren. Elke dag vonden er selecties plaats, werden er gevangenen vermoord en werden die uit de aankomende transporten weer aangevuld. Mensen die bij het aankomen van het transport werden geselecteerd als fitte werknemers werden niet alleen in het kamp aan het werk gezet, er werden ook gevangenen naar werkkampen in de omgeving gestuurd. Zolang ze fit genoeg waren om te werken mochten ze daar blijven. Als ze verzwakten werden ze alsnog naar Sobibor gestuurd om vergast te worden.

In de zomer van 1942 kwamen er weinig transporten aan in het kamp, vanwege de slechte staat van de spoorlijn tussen Lublin en Chelm. Er werd hard gewerkt aan het herstel van de spoorlijn. Na het sluiten van kamp Belzec, begin '43, kwamen er in Sobibor ook treinen aan uit Galicië en Krakau. Bijna alle Joden uit het Lublin district waren op dat moment al vermoord. Tussen maart en juli '43 kwamen er ook 19 transporten uit Nederland aan, met aan boord ongeveer 34.000 Nederlandse Joden. De eerste 2 transporten uit Nederland waren personentreinen, de andere 17 treinen met veewagens. Ook kwamen er transporten uit Frankrijk, Vilnius en Lida aan. de mensen uit deze transporten werd gevraagd om een kaartje naar huis te sturen om het thuisfront te laten weten dat het hen goed ging. Een weigering om zo'n kaart te schrijven zou de dood tot gevolg hebben.

In de zomer van 1943 vormde zich een ondergronds verzet onder de gevangenen. Een groep Joden werd versterkt met de komst van een aantal krijgsgevangenen uit Minsk. Hun militaire ervaring kwam bij het plannen van een opstand goed van pas. De groep stond onder leiding van Leon Fendhendler, die al lange tijd in het kamp woonde en voorzitter was geweest van de Jodenraad in het Zolkiew getto en Alexander 'Sasha' Pechersky, de leider van de groep Sovjet gevangenen. Op 13 oktober 1943 zou de opstand plaatsvinden, maar op die dag kwam er plotseling een grote groep SS-ers op visite in het kamp, dus werd de opstand verplaatst naar 14 oktober. Reichleitner, Wagner en Gomerski waren op dat moment tijdelijk met verlof het kamp uit, de SS-divisie was dus verzwakt. Met verzamelde en handgemaakte wapens vermoordde men 12 SS-ers in een kort tijdsbestek. De telefoonlijn werd doorgeknipt. de bedoeling is om na het appèl met zijn allen de poort uit te gaan, met uitzondering van de gevangenen van kamp III, het Sonderkommando, die men niet bij de plannen kon betrekken, omdat men geen contact kon leggen met deze groep. Er ontstond echter paniek en men begon in het wilde weg te rennen. men vluchtte over de omheining van prikkeldraad, rende door het mijnenveld buiten het prikkeldraad en velen vonden de dood, ongeveer 300 gevangenen wisten uit het kamp te ontsnappen. De gevangenen die in het kamp achterbleven werden allemaal doodgeschoten. De Duitsers hielden een grote zoekactie. Veel ontsnapte gevangenen werden teruggevonden, al dan niet door verraad van de Poolse bevolking die vijandig tegenover Joden stond. Ook zij werden doodgeschoten. Een groep van slechts 46 gevangenen wist tijdens de vlucht in leven te blijven.

Kamp III van Sobibor werd hierna compleet vernietigd, er mocht geen bewijs van de misdaden achterblijven. Dit werk moest gedaan worden door ongeveer 30 gevangenen uit Treblinka, die na het vervullen van deze taak allen werden vermoord door o.a. Wagner. Stenen en bouwmaterialen zijn in de afgelopen jaren door een archeologisch team uit o.a. Israël, Slowakije, Polen en Nederland, dat sinds 2007 archeologisch onderzoek doet in Sobibor, verderop in het bos gevonden. De fundering van de gaskamer werd in 2014 ontdekt door dit team. Ook werd er in de afgelopen jaren ontdekt waar de Himmelfahrtstraβe, de Slauch, gelopen moet hebben. Er werd een ontsnappingstunnel ontdekt, die waarschijnlijk vroegtijdig door de bewakers ontdekt is. Er werden stukken prikkeldraad gevonden van de omheining van het kamp en er werden persoonlijke spullen van overleden gevangenen gevonden, zoals een gouden ring, een oorbel en een naamplaatje van een jong meisje uit Nederland, de zesjarige Lea Judith de la Penha uit Amsterdam. De Nederlander Ivar Schute werkte mee aan de opgravingen. Lees hier zijn verhaal. Of kijk hier naar een aflevering van Nieuwsuur over de opgravingen in Sobibor. De zuil van het in de jaren '60 gebouwde monument stond precies op de plek van de gaskamers en maakte het onderzoek naar het vinden van de funderingen van de gaskamers extra moeilijk.

Sobibor was zo'n 400 m bij 600 m groot en werd later uitgebreid. de werkende gevangenen woonden in de barakken in Kamp I, hier waren ook de woonbarakken van de SS en de andere bewakers gelegen. Kamp II was het deel van het kamp waar de transporten ontvangen werden, waar de gevangenen die aankwamen hun spullen moesten achterlaten en waar deze spullen gesorteerd en opgeslagen werden. Men moest zich uitkleden in ontkledingsruimten. de bordjes in deze ruimten deden vermoeden dat men de kleding later weer terug zou krijgen. Voor het ontkleden werden vele transporten aangesproken door Oberscharführer Hermann Michel, die voor die gelegenheid een witte jas aantrok, waarmee hij veinsde dat hij een arts was. Hij vertelde de gevangenen dat zij na een desinfectie procedure tewerkgesteld zouden worden. Via een smalle, aan weerskanten met prikkeldraad en takken gecamoufleerde gang van 150 meter lang en 3 tot 4 meter breed, kwamen de naakte gevangenen aan in kamp III, de plek waar men rechtstreeks naar de gaskamer ging, waar de lijken in de beginperiode van het kamp in grote kuilen werden begraven en later werden opgegraven en in de openlucht werden verbrand. Hier waren ook de barakken van de gevangenen en SS-ers die in kamp III werkten. De grafkuilen waren 10-15 m breed, 50-60 m lang en 5-7 m diep. Het lazaret in Kamp III was gevestigd in een kerkje dat al op het terrein stond.  

In Sobibor zijn in kort tijdsbestek meer dan 170.000, misschien wel 200.000, gevangenen omgekomen. In september 1965 startte er in het Duitse Hagen een groot proces tegen 12 voormalige SS-ers van kamp Sobibor. Tijdens dit proces getuigden vele van de ontsnapte 46. Jules Schelvis interviewde een aantal van deze getuigen tijdens dit proces en schreef er het boek Ooggetuigen van Sobibor over. Op 20 december werden de volgende straffen uitgeroepen:

Karl Frenzel - Carpenter.

 

Arrested in 1962, accused of killing 42 Jews and participating in the murder of approximately 250,000 Jews. Found guilty of personally killing 6 Jews and of participation in the mass murder of approximately 150,000 Jews. Sentenced to life imprisonment.

 

Franz Wolf  - Warehouse clerk.

 

Arrested in 1964, accused in 1964, accused of personally killing one Jew and participating in the mass murder of 115,000 Jews. Found guilty of participation in the mass murder of at least 39,000 Jews. Sentenced to eight years in prison .

 

Alfred Ittner - Labourer

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 57,000 Jews. He was found guilty of participation of the murder of approximately 68,000 Jews. Sentenced to four years in prison.

 

Werner Dubois - German railroad employee and mechanic.

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 43,000 Jews He was found guilty of participation in the murder of at 15,000 Jews. Sentenced to three years in prison.

 

Erich Fuchs - Truck driver

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 3,600 Jews  Guilty of participation in the murder of at least 79,000 Jews. Sentenced to four years in prison

 

Erich Lachmann - Mason

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 150,000 Jews. Acquitted. 

 

Heinz – Hans Schutt - Salesman,

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 86,000 Jews. Acquitted. 

 

Heinrich Unverhau - Male Nurse and professional musician.

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 72,000 Jews. Acquitted.

 

Robert Juhrs - Porter – Janitor.

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 30 Jews. Acquitted.

 

Ernst Zierke - Sawmill worker.

 

Accused of participating in the mass murder of approximately 30 Jews. Acquitted.

 

Erwin Lambert - Ceramic Tile salesman

 

Accused of participating in the mass murder of an unknown number of Jews. Acquitted.

 

Kurt Bolender - Hotel porter

 

Arrested in 1961, accused of personally killing approximately 360 Jews and of participation in the mass murder of approximately 86,000 Jews. Bolender committed suicide in prison before sentencing.

In eerdere processen waren andere SS-ers al schuldig bevonden voor hun daden in Sobibor.

Via een pad door het bos kwamen we op de plek waar de gaskamers lagen aan. We zagen het Mausoleum, maar we konden er niet naartoe, want de plek was afgezet door een lint. Ook de plek waar de gaskamer gestaan heeft was afgezet, rondom de grote zuil zag je de plek van de opgravingen van de fundering van de gaskamer. Ook verderop in het bos zag je nog plekken waar ze aan het graven waren. Van onze reisleider kregen we hier helaas maar heel weinig informatie over en ook maar heel weinig tijd om de plek te ontdekken. Langs het grote geasfalteerde pad waren informatieborden geplaatst. We kregen nog even de tijd om hier langs te lopen en deze vluchtig te lezen. Ik wilde ook nog over de Gedenklaan lopen en daarna het pad door het bos terug lopen, de route die de gevangenen ongeveer gelopen moeten hebben, maar dan in tegengestelde richting. In een tuin bij een huis wat aan het perron gebouwd is ligt nog een stukje treinrails. Er staat geen bord. Is dit een oud stuk spoor, wat Sobibor bewoners hebben bewaard en daar neer hebben gelegd? Liep daar het smalspoor dat naar de gaskamers leidde? Dat zou dan niet kloppen met de tekeningen die er van het kamp zijn, maar ja de plattegronden die er zijn, zijn getekend naar het verslag van ooggetuigen en naar feiten uit vondsten. Er zijn geen officiële plattegronden van het kamp bewaard gebleven. Dit stukje treinrails blijft voor mij een raadsel.

  Over de opstand is de prachtige film Escape from Sobibor gemaakt, naar het gelijknamige boek van Richard Rashke, met een glansrol voor Rutger Hauer als Alexander 'Sasha' Pechersky. Hij was ten tijde van zijn verblijf in het kamp 34 en was getrouwd en had een dochter. Hij leidde samen met Feldhendler de opstand. Ook met Sjlomo Lajtman sprak hij veel. Hij kwam als Russisch krijgsgevangene uit een kamp in Minsk naar Sobibor. Binnen een half uur na de start van de opstand waren er al 6 SS-ers omgebracht, maar Frenzel konden ze niet vermoorden. Volgens Pechersky stond Frenzel, terwijl de gevangenen probeerden te ontsnappen, wild om zich heen te schieten. Er werd ook op Frenzel geschoten, maar gek genoeg werd Frenzel door geen enkele kogel geraakt. Tijdens het plannen van de opstand moest Pechersky veel met Leon Feldhendler spreken, die Russisch sprak. Het zou teveel opvallen wanneer die twee te vaak in overleg zouden gaan. Daarom regelden ze een dekmantel. Een 18 jarig Nederlands meisje, Luka, werd gevraagd om erbij te zitten en wat liefkozend te doen met Sasha, alsof het zijn vriendinnetje was. Luka verstond geen Russisch, dus zou ze geen gevaar lopen omdat ze teveel wist als het verzet zou worden ontdekt. Pechersky moest barakken bouwen in het nieuwe Noordelijke Kamp IV. Toen hij een boomstam in 5 minuten doorzaagde vond Frenzel dat hij sigaretten had verdiend. Pechersky weigerde die aan te nemen van een man als Frenzel en zei dat hij niet rookte. Het brood en de margarine die hem daarna werden aangeboden door Frenzel weigerde hij ook.

Op 14 oktober beval Pechersky Luka om mannenkleren aan te trekken, zodat ze meer kans had om de vlucht te overleven. Zij gaf hem een overhemd van haar vader en vroeg hem het aan te trekken op de vlucht. Dat deed hij. Toen er tijdens het avondappèl paniek dreigde uit te breken was hij degene die "Ten aanval" riep. Na zijn ontsnapping vecht hij in het Rode Leger nog weer tegen de Duitsers en in 1944 wordt hij herenigd met zijn vrouw en dochter. Hij heeft geprobeerd Luka na de oorlog te zoeken, maar geen enkele overlevende heeft ooit meer iets van Luka gehoord. Het overhemd van haar vader hangt in een museum. Pechersky heeft heel veel lezingen gegeven op scholen en kreeg heel veel fanmail van over de hele wereld. Op een gegeven moment kreeg hij een zenuwinzinking en daarna sloeg hij de aller moeilijkste stukken uit zijn verhaal over bij zijn lezingen. Bij elke lezing beleefde hij het verhaal weer opnieuw alsof het op dat moment gebeurde.

  Leon Feldhendler was een Poolse Jood en zoon van een rabbi, die al sinds het voorjaar van 1943 in het kamp zat. Hij had veel aanzien in het kamp, sprak Russisch, men zag hem als een leider en hij kreeg dus het leiderschap over de opstand. Hij werkte in het provisie pakhuis en moest ook regelmatig in het Bahnhofkommando transporten ontvangen en de gevangenen de treinen uithelpen en hun persoonlijke spullen verzamelen. Hij overleefde zijn vlucht en woonde daarna in een huis in Lublin, samen met medevluchters Chaskiel Menche en Meier Ziss. Ook Moshe Blank vond daar tijdens het einde van de oorlog zijn schuilplaats. In Lublin was op dat moment het hoofdkantoor van de communistische partijen o.l.v. Stalin. Op 2 of 3 april 1945 hoorde hij tumult in een naast zijn kamer, waar hij op dat moment samen met zijn vrouw woonde, toen hij opstond om te gaan kijken wat er aan de hand was klonk er een schot en werd hij door de voordeur heen geraakt. Gewond ging hij naar het ziekenhuis, waar hij een paar dagen later overleed. Er bestaan vragen omtrent zijn overlijden, het lijkt een noodlottig ongeluk te zijn geweest, maar het kan ook een gerichte aanslag zijn geweest. Ook Moshes zoon werd neergeschoten door het Poolse Binnenlandse Leger.

Meier Ziss was 13 of 14 toen hij in Sobibor zat. Hij was er brandmeester en moest er de onbruikbare papieren die de gevangenen bij zich hadden gehad verbranden. Hij kon Kamp II en Kamp III zien, maar hij kon niet zien wat er gebeurde in Kamp III, anders had hij het niet na kunnen vertellen. Zijn hele familie kwam om in Sobibor. Hij herinnert zich dat hij samen met een Nederlands meisje vluchtte door het mijnenveld, maar zij werd door een bewaker neergeschoten. Hij herinnert zich ook een transport waarbij de burgemeester van de stad een briefje had geschreven dat hij hoopte dat de mensen in het transport goed behandeld zouden worden. De SS-ers lieten hen aan hun voeten ophangen, ze moesten dansen en rennen en werden daarbij neergeschoten, ze lieten hen zoveel eten dat ze in het eten stikten. Deze wreedheid maakte veel indruk op hem.

Chaskiel Menche was degene die SS-er Graetschus vermoordde. Daarbij ging hij volledig door het lint en schreeuwde: 'Voor mijn vrouw, voor mijn kinderen!' Die waren in de zomer van 1942 in de gaskamers van Sobibor omgekomen. Hij herinnert zich dat de gevangenen van de SS-ers bakstenen over de barakken heen moesten gooien in de hoop dat ze andere gevangenen zouden raken, ter vermaak van de SS-ers. Ook moesten ze muziek maken en met elkaar dansen om de SS-ers te vermaken. Hij werd in een schuilplaats die hij na zijn vlucht had gevonden door zijn been geschoten door Duitsers. Hij wist te ontkomen en hield zich daarna samen met zijn neef schuil in een ander huis. Deze neef was ook uit Sobibor gevlucht tijdens de opstand. Woonde later in hetzelfde huis als zijn goede vriend Feldhendler.

  Thomas 'Toivi' Blatt was 15 toen hij in Sobibor aankwam. Hij was zo brutaal om bij de selectie aan te geven dat hij een sterke jongen was. Hij keek Frenzel recht in de ogen en daarmee redde hij zijn eigen leven. Hij werd geselecteerd. Zijn broertje en zijn ouders kwamen om. Toen hij kleding moest sorteren zag hij de mantel van zijn moeder en hij wist op dat moment dat ze waren omgekomen. Hij was een van degenen die betrokken was bij het plannen van de opstand. Hij vluchtte met twee andere gevangenen. In een veld werd er op hem geschoten door een Poolse boer. Hij werd door zijn kaak geschoten, hij hield zich dood en wist later te ontkomen en in leven te blijven door tot de bevrijding in de bossen te schuilen. Toen hij na de oorlog naar zijn huis in Izbica ging werd hij daar niet vriendelijk ontvangen. Er woonden anderen in het huis van de familie, die wilden het huis niet verlaten. Het verhaal gaat dat dat was omdat ze vermoedden dat er veel geld of juwelen in het huis moesten liggen, vanwege het feit dat Toivi terug was gekomen. Dat was vast om de kostbaarheden te halen. Toivi verliet zijn geboortedorp en emigreerde naar Californië. Hij schreef  het boek From the Ashes of Sobibor en gaf informatie en adviezen toen de film Escape From Sobibor werd gemaakt. In 1983 interviewde hij SS-er Frenzel, die na 16 jaar gevangenschap was vrijgekomen. Waarschijnlijk is dit de eerste confrontatie geweest tussen een SS-er en een gevangene uit hetzelfde kamp. Het indrukwekkende interview staat in het boek, maar is hier in het Nederlands te lezen.

Arkadi Wasjpapir was een Russisch Joodse krijgsgevangene die met de groep van Pechersky vanuit Minsk in Sobibor aankwam. Hij vermoordde tijdens de opstand het hoofd van bewaking.

  Samuel Lerer zat in een transport waarbij alle mannen in eerste instantie werden geselecteerd. De vrouwen en kinderen gingen naar de gaskamers. Toen hij de dag erna aan het werk was in Kamp II zag hij zijn vader naakt naar de gaskamer gaan. Zijn broers waren eerder al omgekomen tijdens de oorlog. Vanuit Kamp II konden de gevangenen op een gegeven moment de lijken in Kamp III opgestapeld zien liggen. Samuel was verantwoordelijk voor het verzorgen van de paarden van de SS-ers. Hij was een van de ongeveer 50 mannen die vooraf van de opstand wist en mee had geholpen met de organisatie ervan. Hij vluchtte in een groep waar ook Esther Raab in zat. Samen met haar kwam hij terecht bij een boer in Chelm die hen onderdak verschafte.

Esther Raab kwam in december 1942 al in Sobibor. Ze was toen 17 en kreeg werk op de breikamer. Ze was een Poolse. ze zag onder andere hoe de SS-ers baby's tegen de treinwagons doodsloegen.

De Poolse Hella Weiss (Felenbaum) kwam vlak voor kerst '42 in Sobibor en kwam ook op de breikamer terecht. Ook verzorgde ze de moestuin. Na haar ontsnapping vocht ze nog met het Rode leger tegen de Duitsers. Zij wist te vertellen dat in het begin de gevangenen die naar de gaskamers gingen nog met witte kalk werden bedekt om de stank tegen te gaan. Later gebeurde dit niet meer. Frenzel (Franz genoemd door de Joden) en Wagner hadden volgens haar de leiding over het Jodenkamp, zij terroriseerden de gevangenen op alle mogelijke manieren.

Regina Zielinksi (Riwka Feldman) kwam als Poolse net als Hella vlak voor kerst '42 in het kamp en kwam ook op de breikamer terecht. Ze had al voordat ze in het kamp kwam de wreedheden van de Duitsers kunnen aanschouwen. Als kind zag ze in haar dorp Staw, hoe twee jonge jongetjes die door de sneeuw naar hun ouders renden door honden van Duitsers aan stukken werden gescheurd. Haar broer werkte in Kamp III in Sobibor. Ze kan zich herinneren dat het hele Sonderkommando uit Kamp III werd doodgeschoten omdat er geruchten waren dat Partizanen het kamp wilden binnenvallen en hen wilden bevrijden. Een andere keer werd het hele Sonderkommando doodgeschoten omdat er een hond door het mijnenveld was gelopen en de Duisters hadden gedacht dat er een ontsnapping gaande was.

  Selma Wijnberg was 20 toen ze opgepakt werd op haar onderduikadres in de Bilt. Via Nederlandse gevangenissen en de kampen Vught en Westerbork kwam ze op 9 april 1943 in Sobibor aan, waar ze voornamelijk werkte op de sorteerafdeling. Ze vluchtte samen met Chaim Engel op wie ze in het kamp verliefd was geworden. Ze verlieten het kamp via de hoofdpoort. ze vochten samen met de Partizanen tegen de Duitsers. Later verscholen ze zich op een boerderij. In 1944 werden ze bij Chelm bevrijd door het Rode Leger. ze bleef samen met Chaim nog 6 maanden in Polen, waar hun zoon Emiel werd geboren. Via Lublin, Czernowitz, Odessa, Marseille en Tilburg kwamen ze uiteindelijk in juni 1945 in Zwolle aan. Hun zoontje was tijdens de reis over zee omgekomen door de honger. ze bleven een tijdje in Zwolle wonen en emigreerden later naar de Verenigde Staten. Chaim vertelde Selma pas vlak voor het avondappèl over de opstand die tijdens het appèl zou uitbreken. Chaim was tijdens de voorbereiding van de opstand verantwoordelijk voor het vermoorden van SS-er Rudolf Beckmann, wat hem lukte. Over Selma schreef Ad van Liempt het boek 'Selma'.

Stanislaw Schlomo Smajzner was een 15 jarige Poolse jongen. Hij was bij zijn oom in de leer als goudsmit, voordat hij werd opgepakt. Hij maakte mooie sieraden voor de SS-ers in het kamp. Hij stal wapens die gebruikt werden tijdens de opstand. Na de oorlog emigreerde hij naar Brazilië, waar hij Wagner herkende. Wagner werd niet uitgeleverd door Brazilië, maar werd kort daarna wel dood gevonden. Zelfmoord door messteken werd vastgesteld als doodsoorzaak. Smajzner had Wagner graag zelf willen vermoorden, maar de Joodse gemeenschap had hem gevraagd om het niet te doen. Het werkelijke omtrent de dood van Wagner zal altijd een raadsel blijven. Smajzner heeft er wel voor gezorgd dat Franz Stangl uiteindelijk wel door Brazilië werd uitgeleverd aan Duitsland.

Schlomo Alster werkte in het kamp bij het Bahnhofkommando. Na zijn ontsnapping vocht hij nog met de Partizanen tegen de Duitsers.

Kurt Thomas zorgde er na de oorlog voor dat Frenzel in Berlijn kon worden gearresteerd. Tijdens zijn verblijf in het kamp werkte hij als ziekenverzorger. Hij was immuun voor tyfus en kon zo vele gevangenen helpen. Hij kreeg adviezen van twee Nederlandse artsen die hun beroep niet mochten uitoefenen in het kamp. Gevangenen die ziek werden hadden drie dagen om te herstellen en anders moesten ze naar het lazaret en werden ze daar vermoord. Thomas zorgde ervoor dat vele gevangenen langer dan drie dagen konden herstellen. Soms zelfs weken. Toen Frenzel daar achter kwam werd Thomas helemaal in elkaar geslagen en hem te verstaan gegeven dat als hij weer zulke stunts uithaalde het zijn beurt zou zijn om te sterven. Hij herinnerde zich hoe, in september 1943, de Nederlandse kunstenaar Max van Dam gespaard werd van een executie van alle Nederlandse gevangenen. Het hele Sonderkommando, ongeveer 150 man, was doodgeschoten vanwege vermeend verraad. Het was de SS-ers echter ter ore gekomen dat het verraad zou zijn begonnen bij een Nederlander. Daarom werden alle Nederlandse mannen uit Kamp I en II geëxecuteerd. Max van Dam (die portretten maakte van Frenzel en Wagner) werd in leven gehouden. Hij moest eerst het portret van Frenzel nog afmaken en werd de volgende dag alsnog doodgeschoten. Thomas wist uit het kamp te ontsnappen en dook tot 26 juli 1944 onder bij een boer. Toen de Russen kwamen vertrouwden ze hem niet en wilden hem in eerste instantie naar Siberië sturen, wat uiteindelijk gelukkig niet gebeurde.

De complete Sobibor interviews zijn te lezen op www.sobiborinterviews.nl 

Na onze bezoeken aan Treblinka en Sobibor op dezelfde dag reden we door naar Lublin waar we die nacht zouden overnachten.  

Majdanek

 

 

 
De volgende ochtend reden we al vroeg in de ochtend naar kamp Majdanek, dat tegen de stad Lublin aan ligt. Na de andere kampen bezocht te hebben, die alledrie op afgelegen plaatsen gevestigd waren, was dit een hele andere gewaarwording. Vanuit het kamp keek je zo naar de gebouwen van de stad. Mensen wonen tegen het voormalige kamp aan. In Nederland zouden mensen niet vlak bij zo'n verschrikkelijke plek uit de geschiedenis willen wonen, maar in Polen is dat anders. In Polen zijn zo verschrikkelijk veel plaatsen waar vreselijke dingen zijn gebeurd. Niet alleen de vernietigingskampen, maar ook alle werkkampen en concentratiekampen. Er zijn zo verschrikkelijk veel gebouwen en woningen die gebruikt of bewoond zijn geweest door SS-ers. Zoveel fabrieken die dienst deden voor de Duitsers. Als men al deze gebouwen had laten slopen, was er na de oorlog nauwelijks meer iets van Polen over geweest. Na de bezetting door de Duitsers, kwam Polen onder het communistische bewind, waarin de verschrikkelijke daden tegenover de Joodse Poolse bevolking in de doofpot werd gestopt. Er werd verwacht dat men in Polen de draad weer gewoon zou oppakken. Pas na de val van het Communisme eind jaren '80, begin jaren '90 kwam er aandacht voor hetgeen er gebeurd was in WOII en kwam er aandacht voor de grote Joodse verliezen die er geleden waren.  

Het kamp ligt aan de grote weg die naar de Oekraïne en Rusland leidt. In die tijd een belangrijke route voor de Duitsers naar het Oostfront. In juli 1941 besloot Himmler dat er een groot kamp gebouwd moest worden, waar vooral Russische krijgsgevangenen maar ook andere gevangenen geconcentreerd zouden worden om van daaruit werk te doen voor de Duisters. Deze gevangenen zouden moeten werken aan de bouw van een sterk Duits Rijk. In september van '41 begon men al met de bouw van het kamp. Vanaf het voorjaar '42 kwamen er ook veel transporten met Joden aan, uit Duitsland, Slowakije, De Bohemen en Moravië,  het doel was om hen uit te roeien. Eerst door hen hard te laten werken en onmenselijk te behandelen, maar later werden Joden direct naar de gaskamers gestuurd. Deze gaskamers werden gebouwd in de zomer van 1942. Vanaf september of oktober 1942 werden deze gaskamers in gebruik genomen. Majdanek is het enige kamp naast Auschwitz waar men het Zyklon B gas op grote schaal gebruikte om mensen mee te vergassen. In Majdanek werden ook mensen gedood d.m.v. koolmonoxide. Vanaf het begin van 1943 kwamen ook Poolse gevangenen die voor verzetsdaden waren veroordeeld in het kamp aan.

  In februari 1943 werd de naam van het kamp veranderd. Het heette geen Kriegsgefangenenlager, maar werd een Konzentrationslager. Het werd een strafkamp en doorgangskamp voor Polen van het Poolse platteland. Met zijn 270 hectare was het kamp het grootste kamp na Auschwitz-Birkenau. Het bestond uit drie delen, een deel voor de SS-ers, een deel voor administratie en barakken waarin kleding e.d. werden gesorteerd en opgeslagen en het deel waar de gevangenen zaten. In dit deel waren vijf velden met houten barakken waar de gevangenen in woonden. Deze barakken waren slecht gebouwd. Tocht, slechte sanitaire voorzieningen, overvolle barakken, gebrek aan voedsel, water, medicijnen of warme kleding zorgden ervoor dat vele gevangenen vanwege gezondheidsproblemen stierven. In oktober 1942 werd er ook een vrouwenkamp gebouwd en hoewel er geen specifiek kinderkamp was, kwamen er ook kinderen naar het kamp toe.

 

In 1943 kwamen er zieke gevangenen uit andere werkkampen naar Majdanek. Er is bekend dat er o.a. Duitse, Italiaanse, Franse, Oostenrijkse en Griekse gevangenen zaten, ook zouden er ongeveer 6000 Nederlandse gevangenen in Majdanek hebben gezeten. Ook werd er een veldhospitaal opgericht voor gewonde en gehandicapte krijgsgevangenen uit het Rode Leger en voor gewonde deserteurs uit het Duitse leger. Zij zaten in drie speciale barakken, waar elk 200 man in konden en hoefden geen gestreept uniform te dragen. Er zaten mensen van 30 verschillende nationaliteiten gevangen in Majdanek, maar er zaten vooral Polen, waarvan veel Joden. Vanaf januari '43 kwamen er op Himmlers bevel ongeveer 35.000 politieke gevangenen uit Poolse gevangenissen naar Majdanek. Van de ongeveer 150.000 mensen die het kamp in kwamen, vielen er 80.000 doden waaronder 60.000 Joden. (Dit zijn cijfers van een onderzoek uit 2005, eerder zijn getallen als 1 à 2 miljoen en 300.000 genoemd.) Het kamp was hiermee niet alleen een werkkamp, maar wordt ook gezien als vernietigingskamp.

Op 3 november 1943 vond de grootste executie plaats in de geschiedenis van de Duitse kampen. Deze actie heette Operation 'Erntefest' (oogstfeest) en het maakte de uitroeiing van de Joden uit het Lublin district af. Alle Joden die op dat moment in kamp Majdanek waren en de Joden uit de kampen Lipowa Strasse en Fluplatz(18.400 in totaal) werden bij deze operatie gedood. Voorafgaand aan deze executie werden er eind oktober '43 achterin het kamp en naast een nieuw crematorium enorme greppels gegraven van 100 meter lang en anderhalf tot 3 meter diep. De Joden moesten met het gezicht naar benden in de greppels gaan liggen, waar ze met een machinegeweer werden doodgeschoten, hierna moest de volgende groep Joden op deze lijken gaan liggen om te worden doodgeschoten. Ook in andere kampen werden die dag de laatste Joden geëxecuteerd. In totaal kwamen er die dag 42.000 Joden om het leven. Tijdens deze grootscheepse executie speelde er in Majdanek constant mars- en dansmuziek uit twee speciaal daarvoor gemaakte muziekwagens, om het geluid van de schoten en schreeuwende slachtoffers te verdoezelen.

 

 

 

 

Tussen januari en juli 1944 evacueerden de Duitsers de gevangenen uit het kamp. Grote groepen gevangenen werden met de trein op transport gezet naar andere kampen, o.a. Auschwitz en Mauthausen. Op het laatste moment, op 22 juli, vertrok er een enorme colonne gevangenen te voet vanuit het kamp op weg naar Auschwitz. In de nacht van 22 op 23 juli viel het Rode Leger het kamp binnen en werden de mensen uit het kamp bevrijd. Daarna gebruikte de Russische NKVD, Stalins Geheime Dienst, het kamp om leden van de Poolse Geheime Staat, de Poolse ondergrondse, gevangen te houden. Deze gevangenen werden later naar Siberië gestuurd. Nog voor het einde van de oorlog, nog in 1944 werd besloten een museum te maken op deze plek.

Ten tijde van het communisme werden de Polen aangemoedigd om uitstapjes te maken naar voormalige concentratiekampen, waaronder Majdanek. Het doel was om te zorgen dat de bevolking een antifascistische houding aan zou nemen. Er werd geen eer bewezen aan de vele Joden die de dood hadden gevonden in de kampen. De Holocaust werd uit ideologische en politieke overwegingen verzwegen.

De Duitsers hebben hier geen kans te zien om het kamp te verwoesten, voordat de Russen kwamen. Hierdoor is er in Majdanek nog goed te zien hoe het kamp er in die tijd uit zag. In een van de barakken is een compleet schaalmodel van het kamp te vinden. Men weet exact hoe het er in die tijd uit zag. Slechts een deel van het kamp is voor bezoekers bewaard gebleven en opengesteld. Op dit terrein zijn 70 gebouwen bewaard gebleven of gereconstrueerd, waaronder 3 kantoorruimtes, een aantal opslagplaatsen, badruimtes, gaskamers, een aantal woonbarakken, wachttorens en het oude crematorium. In een glazen vitrineconstructie kun je ook een deel zien van de weg die gevangenen hebben aangelegd met puin van grafstenen van de begraafplaatsen uit Lublin.

Het kamp was onder leiding van wel vijf verschillende commandanten, dit resulteerde in een administratieve chaos. Gevangenen kregen een nummer, nummer van overleden gevangenen werden opnieuw afgegeven. Er is nooit een hoger gevangenen nummer dan 20.000 gegeven, terwijl er tijdens de hoogtijdagen van het kamp meer dan 40.000 gevangenen tegelijk zaten. De vijf commandanten waren in chronologische volgorde: Karl Koch (kwam van Buchenwald), Max August Kögel, Hermann Florstedt, Martin Gottfried Weiss, en Arther Liebehenschel (kwam van Auschwitz I). Koch en Florstedt zijn door de nazi's zelf berecht, omdat zij roofbuit gestolen zouden hebben. Kögel en Weiss zijn na de oorlog door de geallieerden opgepakt en kregen in 1946 de doodstraf. Liebehenschel werd uitgeleverd aan Polen en veroordeeld tot de doodstraf. De man die als de eigenlijke leider van het kamp werd gezien was Anthony Thernes, die gevangen werd genomen door het Rode Leger en in december 1944 werd geëxecuteerd.

  Op het terrein staan twee monumenten, al in 1947 richtte de plaatselijke bevolking een monument op, er werd een piramide vormige heuvel gemaakt van het as en de vermalen beenderen van slachtoffers die op het terrein waren gevonden. Op deze plek heeft Wiktor Tolkin een Mausoleum gebouwd. Het lijkt nu een grote urn waarin de asheuvel is. Vanaf het andere monument bij de ingang van het kamp, het Monument voor Strijd en Martelaarschap, loopt de Road of Homage, een asfaltweg, naar het mausoleum. Dit was de oude weg naar het crematorium. Deze monumenten zijn in 1969 onthuld.

Dit kamp wordt in tegenstelling tot de kampen waar we de afgelopen dagen geweest waren goed bezocht. Er komen tienduizenden bezoekers per jaar. Door de ligging bij de stad Lublin is het museum goed te bereiken. Er valt nog veel concreets te zien en het museum heeft een grote expositie.

We kwamen eerst bij de desinfectiegebouwen. In deze gebouwen was eerst een ruimte waar men zich moest ontkleden. Hierna kwam men in een doucheruimte. In deze doucheruimte waren vierkante betonnen baden, in de baden werden honderden gevangenen achtereen gedesinfecteerd. In het bad zat water vermengd met lysol. Voordat deze infectieruimten er waren stonden zulke baden gewoon in de openlucht. Gevangenen kwamen er toen soms half bevroren uit. De SS-ers vonden het leuk om mensen in deze baden met hun hoofd onder water te drukken, totdat ze dood of halfdood waren. In hetzelfde gebouw was ook een ruimte waarin de kleding van de gevangenen werd gedesinfecteerd, voordat de kleding naar de sorteerbarakken ging, dit desinfecteren deed men met Zyklon B gas. Achterin deze desinfectiebarakken waren twee gaskamers. In de grote stalen deur zat een klein gaatje. Door dit gaatje kon een thermometer worden gestoken. Zyklon B gas doet alleen zijn werk bij een bepaalde temperatuur.

 

 

 

 

Hierna liepen we door de sorteerbarakken en de werkbarakken. In een van die barakken zie je stalen kooien met daarin duizenden paren schoenen van de slachtoffers. Toen de Russen kwamen vonden ze een berg van wel 800.000 paar schoenen. Tijdens een brand in het museum zijn minstens 7000 paar schoenen verbrand. Er is een groot gebouw met een expositie van allerlei spullen uit het kamp. Hier staat een stapelbed, vind je vitrines met kampkleding, zie je Zyklon B gas in een  vitrine, vind je de verhalen van overlevenden, zie je grote ketels die ze in de kampkeuken gebruikten etc.  Hierna liepen we naar de woonbarakken van de gevangenen. In een van de barakken stonden stapelbedden met drie lagen. Zo sliepen de gevangenen pas vanaf het voorjaar van 1942, daarvoor sliep men op stro, of op matrassen die op de grond lagen. Twee kleine ovens moesten de barakken warm houden in de winter, als er al brandhout was. Pas in de herfst van 1943 kwamen er wasgelegenheden. In de barakken, die gebouwd waren voor hooguit 250 gevangenen sliepen in die tijd wel eens rond de 500 gevangenen in een barak. Op elke laag van de stapelbedden sliepen meerdere mensen tegelijk. Wie bovenin lag had een betere plaats dan wie onderin lag, deze mensen werden soms bevuild door menselijke sappen of diarree van zieke gevangenen in de bovenste bedden. Met meerdere gevangenen in 1 bed lijkt niet comfortabel, maar het was wel een manier om warm te blijven gedurende de nacht, zeker als je in het midden lag. In de barakken viel nu licht naar binnen. In die tijd moet het er 's nachts aardedonker zijn geweest, de kleine ramen die er waren waren toen met doeken dicht gemaakt, lampen waren er niet in de barakken.

 

 

 

 

  Op de appèlplaats voor de woonblokken stond een hoge zuil. Deze zuil werd gemaakt door gevangenen in opdracht van de SS-ers. Er zou een officiële afvaardiging van het Rode Kruis in het kamp komen, om te kijken of de omstandigheden voor de gevangenen er wel goed waren. Om de schijn op te houden moesten gevangenen zulke kunstwerken maken, zodat het er in het kamp aangenaam uit zou zien. In de expositieruimte stond een schildpad die door een gevangene was gemaakt en deze zuil bevat stiekem verzet van de gevangenen. De zuil is niet helemaal meer in oorspronkelijke staat, maar is zo goed mogelijk gerestaureerd. Bovenop de zuil staan half adelaars, half duiven die weg willen vliegen. De duiven staan voor vrede en vrijheid. In de basis van de zuil stopten de gevangenen stiekem as van een aantal slachtoffers dat afkomstig was uit het crematorium. Dit stiekeme verzet zorgde ervoor dat dit het eerste monument werd ter nagedachtenis van de slachtoffers.
Hierna liepen we via het Mausoleum naar het crematorium. Beide liggen op het hoogste gedeelte van het kamp. Hier vind je nog de oorspronkelijke ovens, een autopsietafel, waarop lijken werden ontdaan van gouden kronen en werden onderzocht op andere kostbaarheden op andere plaatsen in het lijf. Hier schijnt ook een bad te zijn (ik heb het gemist) waarin een SS-ers baden nam terwijl in de naastgelegen ruimte de lijken gecremeerd werden. Waarschijnlijk was dit bad niet per ongeluk in het crematorium, waar het natuurlijk altijd warm was, gebouwd. In het crematorium werden ook een draagbaar voor lijken en een mobiele oven, waarin overal op het terrein lijken verbrand konden worden, tentoongesteld. Het verbranden van een lijk in een van de vaste ovens die je hier nog kon zien, duurde ongeveer 15 tot 20 minuten, daarna moesten de botten nog verhakseld worden door een botvermaler.  

Deze botresten en het as van de slachtoffers dat men aan het eind van de oorlog heeft gevonden liggen op de asheuvel in het Mausoleum. Als je aan de rand staat kun je inderdaad deze botresten zien liggen. Het is bizar om te beseffen dat dit de resten van onschuldige slachtoffers zijn die tijdens de Holocaust om het leven zijn gekomen. Op een plek als deze lijkt het echter minder luguber, dan wanneer je op een willekeurige plaats zo'n asheuvel zou zien. In een voormalig vernietigingskamp is elk plekje zo vol van vreselijke wreedheden en hoor en lees je zulke gruwelijke verhalen, dat het zien van menselijke stukjes bot, slechts een deel is van wat je in korte tijd te verwerken krijgt. Voor een ieder die ook een reis langs vernietigingskampen wil maken, of er slechts eentje wil bezoeken is het zaak zich goed te beseffen wat zo'n reis zal inhouden, ook al is dat bijna onmogelijk, want je kunt met geen mogelijkheid vooraf bedenken hoe je op de verhalen die je hoort en de dingen die je ziet zult reageren.

 

 

 

 

De video onder deze link bevat zeer schokkende beelden van de bevrijding van het kamp en de staat van het kamp in die tijd, het is echter niets minder dan de realiteit van WOII.

Lublin

  Nadat we weer terug waren van ons bezoek aan Majdanek hadden we de hele middag de tijd om het Stare Miasto, het oude centrum van Lublin te bekijken. Vlakbij ons hotel zag je de overblijfselen van de oude muur van het Joodse getto in Lublin. Met gele trottoirtegels is de plek waar de oude gettomuur stond aangegeven. In 1939 bestond een derde van de bevolking van Lublin uit Joden, na de oorlog was daar niemand van over. Lublin was een van de eerste steden, waar een Joodse getto opgericht. Er woonden ongeveer 34.000 Joden en Roma (zigeuners). Er werden ongeveer 30.000 mensen op transport gezet naar vernietigingskamp Belzec en daar vermoord in het eerste Operatie Reinhard kamp. De overige Joden werden eerst verplaatst naar het getto van Majdan Tatarski, een tweede getto aan de rand van de stad, later werden zij vermoord in Majdanek, dat haar naam aan dit tweede getto te danken heeft. Toen het getto helemaal leeg werd, lieten de Duitsers het hele getto, het stadsdeel Podzamcze en het dorp Wieniawa vernietigen door de gevangenen van kamp Majdanek. De synagoge werd opgeblazen. Zo was er van de Joden in Lublin na de oorlog helemaal niks meer over. Slechts 230 Joden uit Lublin overleefden de oorlog.
De stad Lublin stamt uit de 6e eeuw. In de 14e eeuw werden er verdedigingswerken, als stadswallen en een slot om de stad te beschermen tegen de Tataarse, Litouwse en Roetheense aanvallen. Lublin heeft een mooi oud centrum. Langs het neogotische Koninklijk Paleis dat gebouwd werd voor Koning Casimir II en waarin nu het museum Lublin in gevestigd is, liepen we naar de oude binnenstad. Alleen de woontoren en de kapel stammen nog uit de Middeleeuwen, de rest van het gebouw is in de 19e eeuw nieuw gebouwd. In de oorlog werd dit gebouw door de Duitsers gebruikt als gevangenis. Tussen de 40.000 en 80.000 gevangenen, voornamelijk Poolse verzetsstrijders zaten hier gevangen alvorens ze werden doorgestuurd naar concentratiekampen.  

  Vanaf de heuvel waar het museum op staat heb je een mooi zicht op het Zamkowy Plein. De gebouwen aan dit plein zijn hier in de jaren '50 neergezet op de resten van het Joodse getto in de stijl van de gebouwen in de oude stad. Tot in 1942 liep de straat Szeroka, de belangrijkste straat in het Joodse getto, op de plek waar nu het plein ligt. Aan de voet van de Monumentale Trappen naar het Koninklijk Paleis staat een steen met daarop een plaquette met een kaart van de oude Joodse wijk. Het Zamkowy Plein werd na de oorlog gebouwd om er ceremonies en bijeenkomsten op te kunnen houden.

Via een voetgangersbrug kwamen we bij de Grodzka Poort, ook wel de Jodenpoort genoemd. Deze poort scheidde het Joodse getto van het Christelijke deel van de stad. Hier kwamen we langs Plac Po Farze, een plein dat stamt uit de Middeleeuwen. Een van de oudste plekken van de oude stad. Hier stond ooit de eerste parochiekerk van de stad, de kerk van St Michael de Aartsengel. Het was een van de belangrijkste gebedshuizen van de stad. Tot 1854 heeft deze kerk hier gestaan. Bij opgravingen in 2001 en 2002 is de fundering van deze kerk weer gevonden. Andere archeologische vondsten laten zien dat er al meer dan 3000 jaar voor Christus activiteiten plaatsvonden op deze plek. In de 12e eeuw lag er een begraafplaats op deze plek. Waarschijnlijk heeft er toen al een andere kerk gestaan. In de 14e eeuw werd St Michaels kerk op deze plek gebouwd. de kerk raakte in de 19e eeuw steeds meer in verval en in 1846 werd besloten om de kerk af te gaan breken. Aan het eind van de 19e eeuw lag er een grasveld op de plek van het voormalige plein, er stond een stenen  kruis op de plek waar ooit de kerk stond.

 

 

 

 

Aan het oude marktplein Rynek liggen veel leuke bars en restaurants. Het was heerlijk zomers weer en we hebben hier op het terras geluncht. In Polen kun je erg goedkoop eten, maar je kon merken dat de prijzen aan dit plein hoger lagen dan in de rest van Polen, waarschijnlijk is dit een plek waar vooral toeristen komen eten. Na onze lunch liepen we onder de Krakowska Poort door het oude centrum uit naar het Lac Litewsky. De Krakowska Poort werd in de 14e eeuw samen met de stadswallen gebouwd. Het Litewsky plein ligt net buiten het oude stadscentrum. Het plein werd gebouwd om een plek te hebben voor militaire parades. De naam dateert uit 1839 en betekent Litouws Plein. Sinds 1960 is het plein meer ingericht als park, met mooie bomen, bloemen en een hele grote waterpartij met meerdere fonteinen. De obelisk, geplaatst ter ere van de Pools-Litouwse Unie, dateert uit 1826, Een vrouw in een Romeinse toga symboliseert Polen, een vrouw in een Griekse chiton symboliseert Litouwen.

 

 

 

 

Aan de andere kant van het plein vind je de tombe voor de onbekende soldaat. Rondom het plein staan een aantal hele mooie grote gebouwen, zoals het oude postkantoor, gebouwd tussen 1912 en 1914 en het mooie Hotel Europa. Op de terugweg naar het oude centrum liepen we langs een ijssalon die erg populair was, er stond een lange rij voor, terwijl er bij de twee andere ijssalons die ernaast zaten bijna niemand in de rij stond. Ons heerlijke ijsje van die ijssalon hebben we op de trappen van het stadhuis opgegeten. Hierna hebben we de middag gezellig afgesloten op een terras op het marktplein. Lublin is een mooie stad, met een Middeleeuws karakter. Lublin is een aantrekkelijke stad en wie van kerken houdt zou zeker eens een bezoek aan de stad moeten brengen, want er staan ontzettend veel kerken in Lublin. Op weg naar het hotel liepen we nog langs huizen uit het oude Joodse getto. Trieste gebouwen. Wij reden de volgende dag weer verder. Op naar Belzec.  

Belzec

  Op weg naar Belzec reden we de volgende ochtend door Izbica, bij het huis van Thomas 'Toivi' Blatt (Sobibor overlevende), dat er vervallen bij lag, zijn we nog even gestopt om er een foto van te maken. In Belzec kregen we een hele goede Poolse gids, Ewa. Ze sprak erg goed Engels en vertelde haar verhaal met heel veel passie en gevoel. Belzec was het eerste Operatie Reinhard kamp. Het werd gebouwd op de heuvel waar al langer een werkkamp voor Joden was. Er lag al een spoorlijn, de plek lag gesitueerd tussen Lublin en Lviv en er waren al grote loopgraven gegraven die dienst konden doen als massagraven. De spoorlijn was een zijspoor dat al voor de WOI was aangelegd. Twintig Polen en een groep Russische krijgsgevangenen moesten het kamp bouwen, ook de mensen uit Belzec moesten meehelpen. In november 1941 werd door SS-Obersturmführer Richard Tomalla begonnen met de bouw van het kamp. Dat was nog voor de Wansee Conferentie in Berlijn op 20 januari 1942 waarin het vraagstuk van de Endlösung van de Joden werd behandeld en waarin als doel werd gesteld om alle Joden te vernietigen. De Joden uit het nabij gelegen dorp Lubycza Królewska moesten de bouw van het kamp voltooien en werden daarna vermoord. In maart 1942 was het kamp klaar en toen kreeg Christian Wirth de leiding over het kamp. In augustus '43 kwam Gottlieb Hering hem daarbij helpen, omdat Wirth ook werkzaamheden had in de andere Operatie Reinhard kampen. Zij hadden beide meegewerkt aan het Aktion T4 programma, het bekende euthanasieprogramma en waren daarvoor beide politieagent. Wirth had ook geholpen bij het vergassen van gehandicapten in Brandenburg in de dertiger jaren. Joseph Niemann had de leiding in het vernietigingsdeel van het kamp. Er werden Oekraïense bewakers aangesteld.

Er waren drie gaskamers, die geplaatst waren in houten barakken, om geen argwaan te wekken. Dit waren de allereerste gaskamers die ooit werden gebouwd. Het koolmonoxidegas kwam uit een Russische benzinemotor. Al in juni werden deze gaskamers vervangen door 6 nieuwe stenen gaskamers, omdat de 3 eerdere gaskamers niet efficiënt genoeg waren. Belzec was in werking van 17 maart 1942 tot december 1942. Het eerste transport kwam uit Lublin en nog dezelfde middag arriveerde een transport uit Lviv. Het is bijna niet voor te stellen dat er volgens de laatste schattingen rond de 430.000 mensen werden vermoord. Het kamp bestond uit twee delen. In Kamp I was de receptie en administratie, in Kamp II vond de vernietiging plaats. De SS-ers woonden op 500 meter afstand van het kamp. Tussen de ontkleedruimte en de gaskamers liep een ongeveer 2 meter breed pad, dat gecamoufleerd was met prikkeldraad en takken. Langs het pad stond ook een houten hek. Belzec was het experimentele kamp, hier werden verschillende vormen van massavernietiging uitgeprobeerd. Het was erg primitief vergeleken met Treblinka en Sobibor, die op hun beurt weer primitief waren t.o.v Auschwitz-Birkenau.

 

 

De mensen uit de transporten werden onthaald door een orkest van gevangenen. Daarna werd hen verteld dat ze gedesinfecteerd zouden worden en dat ze daarna nieuwe en schone kleren zouden krijgen. Een ooggetuige zag een transport applaudisseren toen hen dat verteld werd. De mensen wisten echt niet wat hen te wachten stond. Er hing een bord met daarop instructies. Dit bord hangt nu in het museum. Mensen moesten zich ontkleden en alles wat ze hadden meegenomen op het transport achterlaten, behalve waardevolle spullen, die moesten ze goed vasthouden en bij het loket afgeven. Schoenen moesten aan elkaar gebonden worden. Daarna zou men naar Bad en Inhalatie gaan. Men moest goed inhaleren zei men, om de longen goed schoon te maken.

 

 

 

 

  Toen we in het kamp aankwamen moesten we nog even op onze gids Ewa wachten. We konden op ons gemak even kijken naar de collectie in het museum. het museum hier is prachtig opgezet. Het is maar klein, maar heel erg indrukwekkend. Het museum van dit kamp heeft van alle musea de meeste indruk op mij gemaakt. Iets wat keihard binnenkwam was een vitrine waarin allemaal verroeste sleutels lagen en hingen van mensen uit de transporten. Ik stelde me de eigenaren van deze sleutels voor met hun koffers voor de voordeur van hun huizen, niet wetende wat hen te wachten stond, maar in de goede hoop dat ze na nog niet te voorspellen tijd ooit weer thuis zouden komen. Dus de deuren gingen op slot en de sleutels werden goed opgeborgen meegenomen op een onzekere reis....... En nu hangen ze in deze vitrine en weten wij wat zij niet wisten.

Ook hier een vitrine met schoenen, omwikkeld met prikkeldraad. Een vitrine met een maquette van het kamp. Een verhaal van Szlamek Bajler, die uit Chelmno wist te ontsnappen, maar later op transport werd gezet naar Belzec en hier om het leven kwam. Heel veel informatieve borden. Een boek met daarin een lijst van alle bezittingen die men van de gevangenen in beslag had genomen. Het stationsbord Belzec. Op de plek van het kamp was nu een groot veld met stenen, wat je met een weidse blik kon overzien. Ik dacht dat we dus snel klaar zouden zijn met de rondleiding, maar daarmee had ik het goed mis.

Ewa begon buiten de omheining van het kamp. Zij vertelde hoe langs het kamp een gewone spoorlijn liep. De transporten naar het kamp werden bij aankomst op een zijspoor achter een afscherming gezet, maar over het gewone spoor reden dagelijks treinen met gewone passagiers. Lili Lam- Nowakowska, de dochter van een voorzitter van de Joodse Raad in Stanislawow kwam hier op een dag ook voorbij met de trein. In augustus 1942 was zij met haar moeder en broer uit het getto ontsnapt. Haar vader was toen al spoorloos verdwenen, nadat hij was opgepakt. Toen het meisje hier langs reed, de rook zag en de stank rook besefte zij wat er met haar vader gebeurd moest zijn. Ewa had een had een map bij zich, waarin een foto zat van SS-ers op het perron en ze liet ons tekeningen zien van hoe het kamp er toen waarschijnlijk uit heeft gezien. Belzec was maar een heel klein kamp. Op het kleine terrein was op een gegeven moment geen ruimte meer om de lijken te begraven en toen is men begonnen met het verbranden van de lijken op grote stapels. Er was ook nog een ander probleem, de graven werden bedekt met een laag cement, maar door de gassen die uit de lijken in ontbinding vrij kwamen begon de grond op te wellen en brak zelfs dit cement, de lijken kwamen zo vrij te liggen. De lijken uit de graven werden dus ook weer opgegraven en op grote stapels verbrand. De lijken verbranden in de graven ging niet, want op een diepte van  4 tot 5 m komt geen zuurstof en de onderste lagen zouden zo niet verbranden. Nadat het laatste transport in Belzec was aangekomen ging de verbranding van de lijken nog maanden door. Mensen in het dorp moesten soms het vet dat bij de verbranding vrij kwam van hun ramen schrapen.

Voordat de Duitsers vertrokken uit het kamp werd het terrein omgeploegd, werden er nieuwe bomen gepland en werd er een boerderij op het terrein gebouwd. Een van de Oekraïense bewakers bleef op de plek om in de boerderij te gaan wonen. Op deze manier dacht men het bewijs zo goed mogelijk te hebben verdoezeld. De laatste Joodse gevangenen die dit moesten doen werden hierna op transport gezet naar Sobibor. Pas eind jaren '40 werd het terrein een beschermd gebied en de kinderen van de scholen hielden de plek schoon. Halverwege de jaren '50 waren het de Duitsers zelf die de aandacht naar het kamp terugbrachten. Pas in de jaren '60 kwam er een hek om de plek, maar het hek stond niet op de juiste plek en buiten de omheining werden gebouwen gebouwd op de gronden van het voormalige kamp. In die tijd kwamen er weinig bezoekers naar het kamp, ten tijde van het Communistische bewind werd er weinig aandacht geschonken aan de Holocaust. Pas na de val van dit bewind begon in de jaren '90 de interesse voor het kamp wat meer aan te wakkeren en velen verbaasden zich over de slechte staat waarin het voormalige kamp verkeerde. In 1997 werd er daarom een wedstrijd uitgeroepen voor kunstenaars om een mooi monument te ontwerpen voor het kamp. Miles Lerman, een overlevende van de Holocaust, wiens vader en moeder omkwamen in Belzec richtte in 1985 het United States Holocaust Museum in Washington D.C. op en werd er voorzitter van. Hij haalde voor het oprichten van een museum in Belzec vijf miljoen dollar op. Dit geld werd gebruikt om van Belzec een mooie herdenkingsplaats te maken.

In 1997 en 1998 werd er eerst nog archeologisch onderzoek gedaan. De plek van het voormalige perron, de Rampe, werd ontdekt en de restanten van een aantal voormalige kampgebouwen. Er werden 33 massagraven gevonden. In sommige van die graven lagen niet alleen asresten, maar in 10 graven ook lichamen die niet verbrand waren. De graven hadden in totaal een inhoud van 21.000 m3. Luchtfoto's van het gebied om het kamp heen laten zien dat er waarschijnlijk in de omgeving nog meer graven zijn geweest. Men ontdekte ook de ware grenzen van het kamp en de nieuwe gebouwen die op het voormalige kampterrein waren gebouwd werden gesloopt.

Op de ontwerpwedstrijd kwamen maar 8 inzendingen van kunstenaars. De winnaars Andrzej Sołyga, Marcin Roszczyk, en Zdzisław Pidek begonnen daarna aan het verwezenlijken van hun plannen. Ewa vertelde over de symboliek van alles wat er op dit moment op het voormalige kampterrein te zien viel. Te beginnen bij de omheining, een betonnen muur, die de muur van een begraafplaats voorstelt. Op de muur aan de ene kant van de ingang een tekst in drie talen met o.a. een citaat uit Job, Earth do not cover my blood, let there be no resting place for my outcry! En aan de andere kant van de ingang een menora. De teksten roesten en onderaan de letters zie je het roest naar beneden druipen over de muur, dit symboliseert het onschuldige bloed van de mensen die hier het leven lieten.  

  Binnen het kamp staat op de vermoedelijke Rampe een monument van rails en bielzen die zijn opgestapeld. Het museum zelf, dat in 2004 werd geopend, staat ook op de plek van deze Rampe en zou moeten lijken op wagons die er bevroren staan. Daar waar het grote monument begint ligt een stalen vlak op de grond, met daarover lijnen die de Davidster symboliseren. Dit is de symbolische grens tussen leven en dood. Als je rechtdoor gaat loop je over een doorgang tussen 2 wanden die vanaf de grond steeds hoger worden. Dit was het pad dat naar de gaskamers leidde. De kasseien die er liggen zijn afkomstig van een marktplein van een van de dorpen waarvan er transporten naar Belzec gingen. De gang is 2,5 m breed en op het hoogste punt zijn de wanden 11 m hoog. Boven op deze muur staan roestige spijlen die om elkaar heen krullen. Tegenover het einde van de gang is een granieten muur met reliëf, met daarboven dezelfde tekst uit Job, die je ook bij de ingang zag. In een nis tegenover deze muur met reliëf staan de meest voorkomende Joodse voornamen. Er is geen overgebleven registratie van het kamp, dus men weet de namen van de slachtoffers niet, door de meest voorkomende Joodse namen op de muur te zetten hoopt men zoveel mogelijk slachtoffers met naam genoemd te hebben om te herdenken.
Via een trap naar links of naar rechts kom je aan de bovenkant van het grote veld van 180 m X 230 m. Dit veld is bedekt met een speciaal vervaardigde mix van verbrande steenkoolresten, ijzer- en staalresten van de Stalowa Wola-staalfabrieken, as en verarmde grond. Dit zorgt ervoor dat er op deze grond nooit meer iets zal groeien. Met donkere plekken in deze laag materiaal is aangegeven waar de massagraven liggen. Alle door de SS-ers geplaatste bomen zijn weggehaald, alleen de bomen die er voor de bouw van het kamp al stonden heeft men laten staan. Dit zijn de stille getuigen van een ramp. Ewa vertelde dat ze het jammer vond dat er niet meer uitvoerig archeologisch onderzoek kan worden gedaan, zoals nu in Sobibor. Het onderzoek wat gedaan is, was een vluchtig onderzoek en nu is de hele plaats dus bedekt.  

 

 

 
 

 

 

  Om het veld staan in chronologische volgorde de namen van alle dorpen waar de transporten met vooral Joden, maar ook Roma, vandaan kwamen. Het waren er voor die paar maanden dat het kamp bestond indrukwekkend veel. Uit vele dorpen kwamen meerdere transporten. Ewa vertelde met veel emotie in haar stem dat de geallieerden al in april '42 wisten van het kamp en dat de BBC er al in juni '42 over uitgezonden heeft. Toch is er geen actie ondernomen. Treblinka bestond toen bijvoorbeeld nog niet, zei ze zacht.... En Sobibor en Birkenau dacht ik erachteraan.... Er was een meisje, Lucy Witzner, dat in september 1942 uit de trein kon ontsnappen. Ze was toen ongeveer 12 jaar oud. Haar moeder Gusta, die in Belzec is omgekomen, had haar nog op het hart gedrukt niet teveel te vertellen, want niemand zou het geloven. Ze zwierf dagen rond, plaatste zich alleen 's nachts voort. Ze kwam uiteindelijk op de plek waar haar vader en oom ondergedoken zaten aan, die haar eerst niet herkenden, zo gehavend en smerig zag ze er op dat moment uit. Het meisje overleefde de oorlog, maar heeft haar hele leven haar moeder gemist. De hele groep moest even slikken toen Ewa dit verhaal vertelde.

Slechts 2 mensen overleefden Belzec. Rudolf Reder, die vier maanden in het kamp zat en wist te ontsnappen toen hij onder bewaking metalen platen moest halen in Lwow. Twee Poolse vrouwen hielpen hem bij zijn ontsnapping en eentje daarvan werd later zijn vrouw. Zijn memoires staan opgeschreven in zijn boek Belzec, dat al in 1946 uitkwam en in het museum te koop is. De tweede overlevende was Chaim Hirszman, die met zijn vrouw en zoontje van bijna 2, aankwam in Belzec. Zijn gezin werd vermoord in de gaskamers, maar hij werd geselecteerd om in het kamp te werken. Hij was een van de gevangenen die het kamp op het einde moest slopen en ontsnapte uit de trein naar Sobibor. Hij ging na de oorlog bij de nieuwe Communistische Militie, die ermee belast werd de leden van de Poolse Ondergrondse Verzetsbeweging op te sporen en op transport te zetten naar Siberië. Hij getuigde in maart 1946 over wat hij had meegemaakt, maar werd nog op dezelfde dag doodgeschoten door anticommunisten.

  Christian Wirth werd in 1944 in Italië vermoord en Gottlieb Hering stierf in een veldhospitaal in Heilbronn in de herfst van 1945. Er is maar 1 SS-ers die in Belzec heeft gewerkt door een rechter veroordeeld. Dat was Josef Oberhauser. Hij werd in 1965 tot 4,5 jaar cel veroordeeld. De SS-er Kurt Gerstein werd ook beschuldigd van wanpraktijken, hij was een Belastete. Postuum werd echter verklaard dat hij bij de groep Duitsers hoorde die niets te verwijten valt, Nichtbelastete. Hij was zeer gelovig en de dingen die hij zag in de kampen gingen hem veel te ver. Hij bleef vrijwillig bij de SS, zodat hij kon getuigen over deze verschrikkingen. Hij werd om zijn hygiëne deskundigheid gevraagd adviezen te geven aan het Duitse front en in Belzec. In Belzec was hij getuige van vergassingen. Hij moest Zyklon B gas regelen voor kampen en heeft gezorgd dat hele ladingen gasblikken werden afgekeurd of verdwenen. Met gevaar voor eigen leven heeft hij nog tijdens de oorlog zoveel mogelijk mensen die hij dacht te kunnen vertrouwen verteld over de wandaden van de SS. Zijn verhaal werd nog tijdens de oorlog door de Paus, het Nederlandse verzet, in Londen en in Denemarken ontvangen, maar het verhaal bleef daar liggen. Niemand deed er iets mee. Kurt Gerstein heeft o.a. getuigd dat er op het plafonds van de 3 nieuwgebouwde gaskamers een Jodenster was geschilderd. Na de oorlog pleegde hij in zijn cel zelfmoord, omdat hij als verdacht werd gezien. Volgens zijn vrouw en anderen was het geen zelfmoord, zij is er van overtuigd dat hij door Duitse bewakers, of Duitse medegevangenen is vermoord, om te voorkomen dat hij zou gaan praten. Over Kurt Gerstein is ook een boek verschenen wat zeer interessant is om te lezen.
Kurt Gerstein    

In het museum hangt een grote foto van Kurt Gerstein. In het museum vertelde Ewa ook over Gene Gutowski, een producer van een aantal grote Roman Polanski films, waaronder De Pianist, die in Lwow woonde, een dorp waarvan de bewoners van het Joodse getto omkwamen in Belzec, waaronder zijn moeder. Hij heette toen nog Witold Bardach. Hij wist te vluchten naar Warschau en van daar uit naar de Baltische Staten. Hij verloor alle familieleden die op de foto staan aan de oorlog.

De rondleiding eindigde in een zeer bijzondere ruimte. De Contemplation Hall, ofwel, de ruimte der overpeinzing. In deze hal is een heel bijzondere akoestiek. Je hoort elk kuchje, elk woord, elk tikje heel erg weerkaatsen en heel erg duidelijk. In deze hal kun je extra stilstaan bij wat er in Belzec gebeurd is, je kunt er bidden en de akoestiek staat symbool voor de echo van het verleden en de herinnering die steeds terugkomt. Het was jammer dat wij met zo'n grote groep tegelijk de zaal betraden, daardoor was het er niet heel erg stil.

Ewa vertelde dat ze in haar vrije tijd probeert alle dorpen van waaruit mensen gedeporteerd zijn een bezoek te brengen, om de mensen daar het verhaal te vertellen en om de verhalen van de mensen te horen over wat ze er van weten. Ze was al in heel veel dorpen geweest, maar had er ook nog heel veel te gaan. Deze toewijding maakt haar een bijzonder goede gids. Van haar heb ik voor dit stuk via e-mail ook nog wat extra informatie gekregen. Ze vindt het erg belangrijk dat de verhalen uit het kamp niet uitsterven, maar doorgegeven worden aan de toekomst.

We hadden erg veel geluk, want het regende eigenlijk de hele dag, maar tijdens onze tour over het kampterrein van Belzec was het heel even droog. Vanuit Belzec reed de bus door naar Krakow.

Krakau

  Krakow wordt veel door toeristen bezocht. Het is een populaire citytripbestemming en het is de uitvalsbasis voor een bezoek aan Auschwitz-Birkenau. De stad is WOII redelijk ongeschonden doorgekomen in tegenstelling tot andere grote Poolse steden, waardoor de oude Middeleeuwse binnenstad nog goed bewaard is gebleven. Als je langs de Wisla de stad binnen rijdt kom je langs de Wawel. De Wawel is een heuvel van 128 meter hoog, op de heuvel zijn meerdere historische gebouwen gezet, waaronder het Koninklijk Paleis (het kasteel van Wawel) en een Kathedraal. Het Koninklijke Paleis stamt uit de 14e eeuw en werd gebouwd in opdracht van Kazimier de Grote. Het was tot in de 17e eeuw de koninklijke residentie. Daarna raakte het in verval en aan het begin van de vorige eeuw is het compleet gerestaureerd. De Wawelkathedraal werd ook in de 14e eeuw gebouwd en daarin liggen de Poolse koningen en een aantal prominente Polen uit latere tijden in de kleder begraven. Onder de Wawel ligt de Drakengrot, die ook in de 14e eeuw al ontdekt was. Volgens het verhaal woonde er een draak in de grot. De koning gaf aan dat degene die de draak zou verslaan met zijn dochter mocht trouwen. Een schoenmaker slachtte een schaap en vulde het schaap met zwavel en gaf dit schaap aan de draak. De draak at het schaap en vloog daarna in brand. Al brandend sprong de draak in de rivier de Wisla. Nu rest alleen nog een koperen beeld van de draak voor de ingang van de grot. Wij hadden vanwege ons drukke programma weinig tijd in Krakow en ik heb de Wawel en de gebouwen erop niet uitgebreid bezocht.

Die avond hadden we een groepsdiner. Een Poolse maaltijd waarbij tussen de verschillende gangen door een klezmer groep muziek werd gespeeld. Klezmer wordt vooral gespeeld op bruiloften en feesten. Het is vaak een combinatie van een lach en een traan. Vrolijke muziek, maar vaak in mineur. Het is tegenwoordig een smeltkroes van verschillende stijlen, met oriëntaalse, zigeuner en Balkaninvloeden, soms zelfs een beetje jazz. Ook de Jiddische muziekstijl is goed terug te horen. Veel teksten van klezmer muziek komen uit Jiddish. Deze groep speelde o.a. Hava Nagila en nummers van Anatevka's Fiddler on the Roof, zoals If I were a Rich Man. Er werd niet gezongen, alleen gespeeld. En de muziek zweepte steeds meer op en werd steeds sneller.

In de buurt van de Wawel ligt ook de Joodse wijk, maar ook daar ben ik niet geweest. Na het diner zijn wij in het donker nog wel over de Grodzka richting Rynek Glowny, het grote marktplein gelopen. In het centrum van Krakow zie je overal mooie oude gebouwen en heel erg veel kerken. De eerste mooie kerk waar we langs liepen was de Katholieke St. Bernadine kerk, die vlak bij de Wawel staat. Deze kerk is in de 17e eeuw in de barokke stijl gebouwd, nadat de gotische kerk die er eerst stond tijdens de Zweedse bezetting in de 17e eeuw compleet werd verwoest. De volgende kerk die we tegenkwamen was de Church of Saint Giles, dit zou een van de oudste kerken in Krakow zijn, omdat er volgens verhalen al in de 11e eeuw een kerk gebouwd werd, maar het gotische gebouw dat er nu staat is vermoedelijk gebouwd in de 14e eeuw en er zijn geen archeologische vondsten gedaan die het verhaal bevestigen. Het is ook een van de kleinste kerken in Krakow. Iets verderop staat de St André kerk, een Romaanse kerk uit de 12e eeuw en daarmee een van de oudste gebouwen in Polen. Pal naast de St André kerk staat de barokke Katholieke St Petrus en St Paulus kerk uit de 16e eeuw. Voor de kerk staan de twaalf apostelen, die de kerk bewaken. Het zijn replica's van beelden die er in de 18e eeuw hebben gestaan.  

 

 

 

 

  Hierna kwamen we op Rynek Glowny. Het eerste gebouw waar we op afliepen was de Katholieke St Adalbert kerk, deze ligt op de zuidoostelijke hoek van het plein en is in de 11e eeuw gebouwd, op een plek waar al een houten kerk had gestaan. Toen het plein in 1257 werd aangelegd stond de kerk er al bijna een eeuw. Het was een belangrijk gebedshuis voor rondreizende handelaren uit heel Europa. In de 17e eeuw werd de kerk in de barokke stijl verbouwd, deze verbouwing was nodig omdat het plein in die tijd meer dan 2 meter verhoogd werd. In de noordoostelijke hoek van het plein ligt de Mariakerk. Deze gotische basiliek is in de 13e eeuw gebouwd. In de kerk is een houten altaar van 11 meter breed en 13 meter hoog. Het is daarmee het grootste Middeleeuwse houten altaar van Europa. Het kostte 12 jaar om het te bouwen en bevat 200 houtgesneden figuren. De kerk heeft twee torens, waarvan de hoogste 81 meter hoog is.
Midden op het plein staat de oude Lakenhal, Sukiennice. Deze 108 meter lange gotische hal werd gebouwd in opdracht van Kazimier de Grote in de 14e eeuw op de plek waar al sinds 1257 twee rijen marktkramen stonden die sinds ongeveer 1300 overdekt waren. In 1555 brandde het hele gebouw af en het gebouw dat er daarna opnieuw werd gebouwd in de Renaissance stijl die het nu heeft is erg indrukwekkend. In de 19e eeuw is de hal opnieuw verbouwd. In de hal vind je twee rijen van souvenirkraampjes met Poolse kunstnijverheid.

Aan de andere kant van de Sukiennice in de zuidwestelijke hoek van het plein staat de Raadhuistoren. De toren is 70 meter hoog en is in 1316 gebouwd en is het enige deel van het oude Raadhuis dat na 1820 is blijven staan. Vroeger had de toren een gotische torenspits, maar nadat deze werd verwoest door een brand door blikseminslag in 1680 werd deze vervangen door een barokke spits die in 1783 begon af te brokkelen. Nu staat er een kleinere torenspits op. In de kelder van de toren was vroeger een gevangenis met een Middeleeuwse martelkamer.

 

De gebouwen waren prachtig verlicht en zelfs zo laat op de avond bruiste de stad van energie. Er waren heel veel toeristen op de been. En aan het plein lagen veel terrasjes van restaurants. De volgende dag, konden we de stad na onze tour naar Auschwitz-Birkenau nog in het licht aanschouwen. Op het marktplein was nu een kleine toeristische markt met allemaal Poolse kunstnijverheid. Straatartiesten traden op. Paardenkoetsen die toeristen door de stad toerden reden over het plein af en aan. Er waren nog meer toeristen dan de vorige avond en het was mooi weer. Op een terras aan Rynek Glowny hebben we heerlijk gegeten en daarna konden we genieten van een ondergaande zon die de gebouwen op het plein in een heldere oranje gloed zette. Een bijzonder beeld van een stad waar ik zeker nog eens naar terug wil voor een uitgebreider bezoek.

 

 

Auschwitz I

Op de laatste volledige dag in Polen stond ons bezoek aan Auschwitz I en Birkenau gepland. We moesten al om half zeven vertrekken uit ons hotel, zodat we een van de eerste groepen zouden zijn die in Auschwitz zouden aankomen. Wie naar Auschwitz wil, doet er goed aan om vooraf een ticket of tour te boeken via een touroperator. Er worden elke dag maar 200 losse tickets verkocht en er staan elke dag honderden mensen meer in die rij. Touroperators zitten elke dag om 12 uur klaar om kaarten te boeken voor exact een jaar later. Om 12:30 u zijn die kaarten dan altijd al uitverkocht. In 2016 kwamen er in de eerste 11 maanden meer dan 1,7 miljoen bezoekers en dat worden er elk jaar meer.

 

 

Voor het kamp Auschwitz I (Stammlager) bij Oswieçim werd een leegstaande kazerne gebruikt. Deze kazerne had 20 gebouwen, 14 met één verdieping en 6 met twee. In 1940 en 1941 werden alle lage gebouwen door gevangenen met een verdieping verhoogd en er werden 8 nieuwe gebouwen neergezet. Het dorp Oswieçim werd voor een deel ontruimd, in het begin om plaats te maken voor de Duitse kampleiding en later om te zorgen dat er geen getuigen zouden zijn van hetgeen er zich in het kamp afspeelde. Het kamp was in het begin, vanaf juni 1940 een concentratiekamp voor gevangen genomen Polen, verzetsstrijders, politici, maar ook Joden. Vanaf oktober1941 werden de Russische krijgsgevangenen naar Auschwitz gebracht. De hygiëne in het kamp verslechterde. De Russen werden in 9 blokken afgezonderd van de andere gevangenen en werden nog slechter behandeld dan later de Joden . Alle gevangenen die in Auschwitz I aankwamen moesten vanaf de Judenrampe bij het station in Oswieçim naar het kamp lopen. De Duitsers hadden verwacht dat ze de Russen zouden verslaan, maar toen dat niet gebeurde bleef de capaciteit van Auschwitz I voor een groot deel onbenut. Ook werd in januari 1942 besloten de Russen naar werkkampen in Duitsland te sturen waar de wapenindustrie in volle gang was. Er werd besloten om toen ook Joden naar de kampen die oorspronkelijk voor Russische krijgsgevangenen bedoeld waren (Majdanek en Auschwitz I) te sturen. De eerste transporten met Joden kwamen in maart 1942 aan. In juli 1942 komt een erg groot transport Joden uit Slowakije aan. Voor het eerst vindt er een selectie plaats, slechts een klein deel van de mensen wordt geselecteerd om te gaan werken, de grote groep wordt vergast. Hiermee werd de start gemaakt van Auschwitz als vernietigingskamp.

Tijdens de eerste 15 maanden sliep men op strozakken die zo dicht tegen elkaar aan lagen, dat men tegen elkaar aan sliep, zonder dat men de ruimte had om te bewegen. Ter ere van het bezoek van Himmler op 1 maart 1941 werden er in een blok stapelbedden geplaatst. Na dit bezoek werden ook in de andere blokken van deze stapelbedden gezet. Volgens een document uit januari 1943 was de situatie in blok 2 toen als volgt: 234 stapelbedden, 702 strozakken, 1193 gevangen bewoners (er moesten dus meerdere gevangenen in 1 bed slapen), 22 wc's, urinoirs, wasbakken met 42 kranen. Dit was al een aanzienlijke verbetering t.o.v. eind '41, toen er alleen nog maar latrines waren en twee putten waar water uit gehaald kon worden.

  In Auschwitz I had men tegen die tijd al geëxperimenteerd met vergassingen. De eerste vergassingen werden gedaan met koolmonoxide, maar dat bleek niet effectief. Lagerführer Karl Fritsch kreeg van commandant Rudolf Höss de opdracht om Zyklon B gas uit te proberen. Zyklon B was een gas dat in die tijd vooral gebruikt werd als bestrijdingsmiddel tegen ongedierte. Het werd o.a. gebruikt om kleding mee te ontluizen. Het was een blauwzuurgas in korrelvorm. Wanneer de korrels aan de buitenlucht werden blootgesteld verdampten deze razendsnel. Het Zyklon B gas bleek een bijzonder effectief gas om mensen mee te vergassen. Waar er eerst een waarschuwingsgeur aan het gas werd toegevoegd, zorgden de Duitsers ervoor dat dat niet gebeurde bij het gas dat aan de kampen geleverd werd. IG Farben had het octrooi. Na de oorlog zijn de directeuren van de fabrieken berecht voor het leveren van dit gas.

De eerste vergassing met Zyklon B werd uitgevoerd in de kelder met cellen in blok 11 in september 1941. Na wat kleinere experimenten werd de eerste grote vergassing met Zyklon B uitgevoerd op 3 september. Die avond werden er 250 Poolse gevangenen uit de ziekenafdeling en 600 Russische krijgsgevangenen in de cellenkelder opgesloten. de raampjes waren die vlak boven het grondoppervlak lagen waren afgedekt met zand. Zyklon B bleek effectief, maar de kelder bleek niet geschikt voor de vergassing met de gifstof. De lijken moesten allemaal uit de kelder getild worden om ze te kunnen verbranden in het crematorium, dat kon alleen 's nachts gebeuren, anders viel het teveel op bij de andere gevangen, dat kon effectiever. Ook duuurde het erg lang, voordat de kelder helemaal gelucht was, dat moest ook effectiever. Het oude mortuarium bij het crematorium kon ook luchtdicht worden afgesloten en was een geschiktere ruimte. De eerste vergassing die daar plaatsvond was op 16 september. Een groep van 900 Russische krijgsgevangenen kwam daarbij om het leven. De gaskamer werd veelvuldig gebruikt tot de gaskamers in Birkenau klaar waren. Daarna werd de gaskamer in Auschwitz I steeds minder gebruikt. In het crematorium, Krematorium I, kon men ongeveer 340 lijken per dag verbranden. Het crematorium functioneerde tot in juli 1943, de gaskamer tot het najaar van 1942.

Op zijn hoogtepunt waren er zo'n 20.000 mensen in het kamp, maar meestal lag dat aantal tussen 13.000 en 16.000 gevangenen. Er vielen ongeveer 70.000 slachtoffers in Auschwitz I.

In de directe omgeving werd vanaf oktober 1941 Auschwitz II-Birkenau, een vernietigingskamp, gebouwd, waar ik later meer over vertel. Ook ontstonden er ongeveer 40 kleinere werkkampen, waaronder Auschwitz III-Monowitz. Dit kamp werd gebouwd op het terrein van de Buna-Werke fabriek van IG-Farben, die daarmee goedkope arbeidskrachten had, die heel hard werkten. Deze arbeiders hielden het gemiddeld niet langer dan 3 à 4 maanden vol. Een kamp wat met Monowitz verbonden was, was Rajsko dat bij het kassencomplex lag. Bij Buna werd hard gewerkt aan het vervaardigen van synthetisch rubber wat het Duitse Rijk erg nodig had, omdat de rubbermarkt in handen was Groot-Brittannië en er geen rubber meer aan Duitsland werd geleverd. In Rajsko werd geëxperimenteerd met de rubberplant. Het is de Duitsers echter niet gelukt om synthetisch rubber te vervaardigen. Het hele gebied van kampen was ongeveer 40 km2 groot.

Buiten de prikkeldraad omheining onder hoogspanning van Auschwitz I, die meer dan 2 km lang was, waren ook nog een aantal gebouwen die bij het Stammlager hoorden. Je had er de werkplaatsen en het toelatingsgebouw. Aan de andere kant van het Stammlager lag het huis van commandant Rudolf Höss. In het toelatingsgebouw zijn nu een kiosk, een boekenwinkel en toiletten gevestigd voor de toeristen. Hier is de ingang van Museum Auschwitz en hier worden de headsets uitgedeeld. Wij kregen als groep gids Witek van het museum mee, maar ons reisleider deed de tour zelf. Witek ging ook mee naar Birkenau en als we vragen hadden konden we ook bij hem terecht.

Terwijl we naar de toegangspoort met daarboven op het hek de woorden Arbeit macht Frei liepen viel een van onze groepsleden over de kasseien. Hij viel op zijn gezicht en daar zijn neus waarschijnlijk gebroken was, werd besloten hem naar het ziekenhuis over te brengen. Witek ging met hem mee in de ambulance en daarom liepen we tijdelijk zonder gids door het kamp. Er was meteen een bewaker die aan onze reisleider vroeg waar onze gids was, toen hij hoorde dat Witek onze gids was, bleek dat deze bewaker al van het ongeval op de hoogte was en mochten we doorgaan met onze tour. Zonder dat het opvalt worden bezoekers dus goed in de gaten gehouden door gidsen en bewakers, zodat alles in het kamp respectvol en ordelijk verloopt.  

De tekst Arbeit macht Frei werd in de Weimarrepubliek in Duitsland een belangrijke slogan om de werkeloosheid te bestrijden door openbare werken te financieren. De Nazi's gebruikten de tekst om aan te geven, dat gevangenen door hard te werken en op die manier een straf uitzaten, weer konden integreren in de maatschappij, alleen betekende frei dus in dit geval vrijheid in de dood. Het verhaal wat veel verteld wordt is het verhaal dat de gevangenen die het bord maakten  stil verzet pleegden door de B in arbeit op de kop te zetten, het is echter wel onwaarschijnlijk dat dit de Duitsers niet zou zijn opgevallen. De Duitse bewakers waren overigens best goed in de maling te nemen, niet elke bewaker was even slim volgens Auschwitz overlevende Hans Beckman. Hij vertelt dat een gevangene na een dag werken terugkwam met een lap vlees die hij georganiseerd had in zijn laars. Bij een controle aan de poort moest hij zijn laarzen uittrekken. Deze gevangene trok de rechterlaars uit. Er zat niks in. Daarna trok hij de laars weer aan, bewoog wat met beide voeten en trok daarna opnieuw de rechterlaars uit. De bewaker had niks in de gaten en om dit voorval werd door de gevangenen smakelijk gelachen. Ook het tellen bij het appèl was voor de bewakers soms een lastige taak vertelt Hans, het duurde soms uren, omdat er steeds opnieuw geteld moest worden en dat terwijl de gevangenen in rijen van 10 stonden opgesteld.

Als je binnen de omheining bent zie je een vredige omgeving. De stenen blokken hebben een mooie warme kleur, mooie ramen en deuren, de grindpaden zijn netjes aangelegd, het is er schoon en er staan overal bomen, die in de zomer prachtig groen zijn. Wat een schril contrast met de foto's en verhalen die je kent. Toen liepen er magere gevangenen met streepjespakken, SS-ers in hun lange jassen met hoge laarzen soms met een hond aan hun zijde, de Kapo's met hun zwarte mutsje en soms ook zwarte jas en met kapoband om de arm. Kapo's waren geprivilegieerde gevangenen die hun medegevangenen in de gaten hielden en in het gareel moesten houden, vaak criminelen die erg gehard waren. Je had goede en slechte kapo's. Dan had je nog de Muselmänner. Muselmänner waren gevangenen die eigenlijk al meer dood dan levend waren, ze waren zo mager en zo zwak, dat iedereen kon zien dat hun dood nabij was. Soms leek het alsof hun geest het lichaam al had verlaten. Met meer dan tienduizend gevangenen in het kamp moet het er een lawaai van jewelste zijn geweest, tegenover de serene rust van nu.

  Het eerste blok wat je ziet is blok 24, dit was een van de mooiste en netste blokken in die tijd. Het huisvestte, vanaf januari 1941, de leden van het kamporkest die er ook repeteerden en die op de plek er tegenover elke dag moesten spelen als de werkgroepen aan het eind van de dag de poort weer binnenkwamen na een lange dag werken. De SS-ers vermaakten zich met de muziek, het orkest werd ook regelmatig bevolen om op feestjes van de SS-ers te spelen en daarom kregen de orkestleden beter te eten dan andere gevangenen. Ook sliepen hier de gevangenen van het Politische Abteilung kommando. Vanaf juni 1943 kwam er op Himmlers verzoek een bordeel op de bovenafdeling van blok 24. Hier mochten de politiek gevangenen die al wat langer in het kamp waren gebruik van maken. Volgens Himmler zou dat hun productiviteit en werkethiek verhogen. Joden mochten geen gebruik maken van het bordeel. Nu bevat blok 24 het archief en werkt de directie van het museum in het blok.

Het grote gebouw er tegenover, aan de rechterkant, was de keuken. Tegen de muur van dit gebouw zat het orkest dus te spelen. Hier was ook het appèlplein, hier moesten de gevangenen, nadat zij om 4 uur waren opgestaan zich melden voor het ochtendappèl. Ook de gevangenen die die nacht waren gestorven moesten voor dit appèl worden meegenomen. Het appèl kon uren duren, wanneer er gevangenen gemist werden. Ook het avondappèl na terugkomst van de werkploegen, nadat zij ongeveer 11 uren hadden gewerkt ,werd hier gehouden. De werkploegen sleepten hun zieke en gestorven makkers mee, want de doden die meegeteld werden in het avondappèl werden ook meegerekend in de voedseldistributie van de dag erna.

 

  Dit extra eten was van levensbelang voor de gevangenen. Gevangenen die geen extra eten konden 'organiseren' stierven in het kamp na een paar weken tot maanden. Elke ochtend kregen de gevangenen een kop koffie of thee uit kruiden, waar officieel suiker in hoorde te zitten, maar suiker verdween zodra het de keuken in werd gebracht. Elke dag een liter soep, wat meestal maar 3/4 liter was. Vier dagen in de week soep met vlees, de overige dagen zonder vlees. Het vlees was echter met een vergrootglas nog niet te vinden. Meestal was het brandnetelsoep, dikke aardappelschillensoep of knolrapensoep. Aan het eind van de dag moest er dan een stuk brood van 350 gram zijn, maar als het 300 gram woog had je al geluk. De verdelers van het brood, zoals Blockältesten en Blockschreibers eisten hun deel op. Soms kregen gevangenen op die manier niet meer dan 200 gram brood. Dit brood was gemaakt van meel vermengd met zaagsel. Soms zat er bij het brood een plakje margarine, een waterig stukje worst, Bauernhandkäse of Rübenmarmelade (bietenjam). Ook kreeg men nog een halve liter zwarte koffie, met harde nootachtige stukken erin. Tussen de 1700 en 2200 calorieën per dag. Bij lange na niet genoeg om bijna twaalf uren per dag op te werken en in leven te blijven. De enige gevangenen die het konden overleven waren politieke gevangenen die pakjes van thuis mochten ontvangen, gevangenen die in kommando's werkten waar iets te 'organiseren' viel, of gevangenen met vrienden die pakjes van thuis kregen of konden 'organiseren'.

Het pad vanaf de ingang komt uit op de Dalli Dalli Allee, zoals de gevangenen het hoofdpad noemden, Dalli Dalli was wat de Duitsers alsmaar riepen en betekende vlug vlug. Aan de Dalli Dalli Allee aan de voorkant van het keukenblok staat een grote galg (reconstructie). De gevangenen moesten vaak toekijken hoe hun medegevangenen die geprobeerd hadden te vluchten op werden gehangen. Het was verboden om de blik af te wenden.

Lang niet alle blokken zijn opengesteld voor de bezoekers van het museum. In de blokken 4 t/m 7 vind je exposities over hoe het er in het kamp aan toe ging, over de vernietiging, het bewijs van wat er hier gebeurd is, hoe het dagelijks leven van gevangenen er uit zag en over hygiënische en sanitaire omstandigheden.  Blok 11 is het cellencomplex. In de blokken 13 t/18, 20, 21 en 27 zijn exposities over bepaalde groepen gevangenen die het kamp binnen kwamen. De expositie in blok 13 gaat bijvoorbeeld over de Roma en de Sinti, blok 20 over Belgen in Auschwitz, blok 21 over de Nederlanders en in blok 27 staan de Joden centraal. De blokken 22 en 23 zijn helemaal leeg, bij filmopnamen maakt men bijvoorbeeld gebruik van deze blokken. Blok 3 is een speciaal blok, dat blok is zoveel mogelijk in de oude staat hersteld en ingericht, een bezoek aan dit blok hoort niet standaard tot een tour, dit blok zit dan ook op slot.

 

     

 

Toen het kamp in gebruik was, was de indeling anders. In de blokken 1 en 2 zaten na mei 1942 de gevangenen van de strafcompagnie. Deze gevangenen die volgens de Duitsers straf hadden verdiend, hadden het van alle gevangenen in het kamp het zwaarst en zaten bij het zwaarste werkkommando met bewakers die geen mededogen kenden en erg hard waren. Er waren verschillende ziekenblokken voor gevangenen, zoals blok 9, 19 en 20. In blok 20 werden duizenden gevangenen om het leven gebracht met een fenolinjectie in het hart. In blok 21 was de chirurgische afdeling voor gevangenen. Blok 28 was een polikliniek met röntgen apparatuur. In blok 25 was eerst de Aufnahme Abteilung, later werd dit gebouw een kantine voor SS-ers en gevangenen met priviléges. Blok 26 was het blok waar gevangenen die in leven mochten blijven om te werken zich moesten wassen, werden gedesinfecteerd en kaalgeschoren, kampkleding kregen, op de foto werden gezet met hun kampnummer (sinds februari 1941)  en (vanaf maart 1942) een kampnummer op hun arm getatoeëerd kregen. Ook werden hier in de eerste twee jaren de in beslag genomen goederen van de gevangenen bewaard.

  In blok 26 werkte Wilhelm Brasse. Wilhelm was fotograaf en hij beschrijft zijn kamptijd in het boek 'De fotograaf van Auschwitz'. Hij beschrijft hoe mannen en vrouwen die hij voor zijn lens kreeg soms zonder reden geslagen werden door hun Kapo's. Hoe hij de geselecteerde Joden van een transport uit Rotterdam moet fotograferen, terwijl ze hun burgerkleding nog aan hebben. Hoe een groep vrouwen uit het vrouwenkamp uit het nieuwe deel in Birkenau gefotografeerd moet worden en de hele gang van het blok enorm stinkt, zij hebben geen water in het nieuwe kamp om zich mee te wassen. Hoe hij voor dokter Entress moet werken en speciaal voor hem de tatoeages van gevangenen die een tatoeage hebben (niet het kampnummer) moet fotograferen, omdat deze SS-er daardoor geobsedeerd is. Later komt hij erachter dat Entress gevangenen met mooie tatoeages laat doden, hun stukken huid met tatoeages laat uitsnijden en de huid later gebruikt om er boeken mee te laten inbinden. Hij vertelt hoe hij foto's moet ontwikkelen die gemaakt zijn door de zelfmoordfotograaf, een gevangene die foto's moet nemen van alle zelfmoorden die gepleegd worden, zoals een jongen die zich heeft opgehangen in een blok en iemand die zich in de onder hoogspanning staande omheining heeft gegooid. Hij beschrijft hoe hij Czeslawa Kwoka fotografeert, terwijl ze net onzedelijk is betast door een mannelijke Kapo en door hem is geslagen. Ze veegt het bloed van haar lip en weet zelfs nog een beetje te lachen. Ze is dan een jaar of 14. Haar onschuld raakt hem en hij wil huilen, maar dat kan niet. Ze sterft in het kamp, maar van alle foto's die hij maakt van gevangenen zie je deze foto het vaakst terug. Haar foto staat ook op de omslag van de Nederlandse versie van het boek. Zo wordt ze niet vergeten.

Brasse beschrijft ook hoe hij met zijn team kiekjes van zijn baas, de SS-er Bernhard Walter, moet ontwikkelen en hoe daar op een dag foto's tussen zitten van een transport dat op een perron aankomt. Bij deze foto's zitten foto's van de selectie door SS-ers op dat perron, van een dikke rookpluim, van bergen bagage, van de gevangenen uit het transport. Hij moet er een album van maken. Het gaat hier niet om het Auschwitz-album. De foto's in het Auschwitz-album zijn waarschijnlijk ook gemaakt door Bernhard Walter en Ernst Hofmann (Walters assistent), maar dat is nooit met zekerheid vastgesteld, dat album gaat over een Hongaars transport dat in mei 1944 het kamp binnenkomt. Dit zijn foto's van een transport uit 1941. Brasse moet een foto van een vrouw met een bijzondere blik in haar ogen als laatste foto in het album plaatsen, het bijschrift moet luiden; Jodin gaat naar de gaskamer. Auschwitz, 30 september 1941, 16:30 u. Wilhelm Brasse beschrijft ook hoe Walter hem een film laat zien van de eerste vergassing van de Russen.

Op een gegeven moment hoeft de afdeling geen Joden meer te fotograferen, want die zouden toch allemaal sterven, dat zou verspilling zijn. In diezelfde tijd komen er steeds meer Duitsers die zich laten fotograferen, maar die ook andere verzoeken hebben, bijvoorbeeld het retoucheren van oude foto's. Brasse weet het voor elkaar te krijgen dat ze hem daarvoor belonen met sigaretten of voedsel. Ook SS-er Grabner komt op een dag een kijkje nemen op de afdeling en Brasse vraagt hem of hij zijn portretfoto wil laten maken. Grabner wil dat en neemt zonder het te weten plaats op dezelfde stoel als waar de Joden, Roma's, Sinti's en anderen ook op hebben gezeten. Grabner, die als bruut bekend staat en wekelijks beslissingen op leven en dood neemt over de gevangenen in de bunkers van blok 11 lijkt heel menselijk als Brasse de foto maakt, maar slechts een paar tellen later noemt hij de gevangenen van de identificatie-afdeling beesten.

Brasse neemt ook foto's van een bijzonder huwelijk dat in Auschwitz wordt voltrokken. Het huwelijk van Oberkapo Rudolf Friemel, een Oostenrijkse communist die in Parijs gevangen werd genomen. Hij had een Spaanse vriendin, Margarita en een zoontje, Edi. Bij hoge uitzondering mogen zij het kamp in Rudolf en Margarita worden daar in het echt verbonden door Vicecommandant Karl Fritzsch. Ook de ouders van Rudolf mogen het kamp op die dag bezoeken, ondanks dat ze dan kunnen getuigen zijn van de omstandigheden in het kamp. Friemel geniet veel aanzien onder de Duitsers, omdat hij alles weet van dieselmotoren en met deze technische kennis een belangrijke taak heeft in het kamp. Friemel kreeg bijzondere privileges. Hij mocht zijn haar laten groeien, at hetzelfde eten als de SS-ers en mocht eens per maand onder begeleiding naar de bioscoop in de stad. Maar niet alleen de SS-ers hadden respect voor hem, hij was ook erg geliefd bij de gevangenen, omdat hij altijd bereid was om hen te helpen. Zo gaf hij makkelijke baantjes aan zieke, zwakke of bejaarde gevangenen, hielp waar hij kon en redde menig gevangene met die hulp het leven. De dag na het huwelijk moeten zijn ouders, vrouw en zoon het kamp weer verlaten. Op 30 december 1944 wordt hij doodgeschoten na een vluchtpoging die hij met een andere Oostenrijker en een Pool ondernam.

Brasse moet ook foto's maken in opdracht van Joseph Mengele. Zijn eerste foto in opdracht van Mengele is een foto van twee tweelingen. Vier meisjes die uitgehongerd en broodmager zijn en die hij naakt moet fotograferen. Deze foto hangt in museum Auschwitz. Brasse vindt het verschrikkelijk om deze foto te moeten maken en hij huilt als hij de meisjes fotografeert. Later volgen andere tweelingen en ook dwergen die hij allemaal naakt moet fotograferen. Hij wordt een beetje verliefd op het meisje dat deze gevangenen moet begeleiden, Baska heet ze, een politieke gevangene. Ook moet hij gevangenen fotograferen in opdracht van dr. Clauberg. In de fotostudio wordt de baarmoeder van vrouwen, die onder narcose zijn, verwijderd en Brasse moet dan foto's maken van deze baarmoeders. Ook moet hij de lever fotograferen van ondervoedde Joden die in de studio door een injectie om het leven worden gebracht. Hij maakt ook veel foto's van vrouwen met twee verschillende kleuren ogen.  

Brasse moet in de laatste fase van het kamp meewerken aan het vervalsen van dollarbiljetten, die hij moet fotograferen en vergroten, zodat ze exact nagetekend kunnen worden, opnieuw gefotografeerd en daarna worden afgedrukt. Hierna volgt hetzelfde proces met Engelse ponden. Brasse sluit zich in 1944 aan bij het ondergrondse verzet van het kamp en als blijkt dat het Rode Leger steeds dichter in de buurt komt, legt hij een map aan van negatieven die hij uit het kamp wil redden. Dit doet hij vlak voordat hij op 15 januari 1945 bevelen van Walter krijgt om alle negatieven uit blok 26 te vernietigen. De films met negatieven willen echter niet branden en Brasse en zijn assistent Jureczek doen ook niet hun best om te zorgen dat het wel lukt. Wel verspreiden ze alle films en negatieven over de hele afdeling, zodat bij een gehaast vertrek nooit alles meegenomen kan worden en ze doen het zo dat het lijkt alsof de chaos veroorzaakt is door het feit dat ze geprobeerd hebben alles te vernietigen. Walter komt nooit meer terug om te controleren of zijn bevel werd uitgevoerd. Op 21 januari 1945 verlaat Brasse met zijn assistenten en andere gevangenen te voet het kamp op weg naar kamp Ebensee, een nevenkamp van Mauthausen, waar hij in mei 1945 bevrijd wordt. Na zijn bevrijding wordt hij herenigd met zijn ouders en vijf broers die allen de oorlog hebben overleefd. SS-er Bernhard Walter krijgt een lichte straf van 3 jaar, terwijl zijn assistent Hofmann tot levenslang wordt veroordeeld. Grabner wordt ter dood veroordeeld en terechtgesteld.

Terug naar de beschrijving van de blokken. Veel van de andere blokken waren woonblokken voor gevangenen. De functie van een blok wisselde weleens en ook de gevangenen die langer in het kamp zaten wisselden regelmatig van blok, dit had te maken met de kommando's waar ze bij aan het werk waren, hun taken in het kamp en of ze na een bezoek aan het ziekenhuis in een ander blok werden teruggeplaatst.

  Blok 10 was een blok waar vooral Dr. Carl Clauberg maar ook andere artsen sinds april 1943 op bevel van Himmler medische experimenten uitvoerden. Onderzoek werd gedaan naar vrouwelijke onvruchtbaarheid en hoe men die teweeg kon brengen, zodat bijv. voortplanting onder de zwakkeren binnen het Duitse Rijk voorkomen kon worden. Clauberg experimenteerde met hoe men vrouwen kon steriliseren zonder chirurgische ingreep. Hij deed dit o.a. door een chemische stof in de interne geslachtsorganen van vrouwen te spuiten. Er zaten ongeveer 400 vrouwen op de bovenafdeling van dit blok. Bij voorkeur vrouwen die al een kind hadden gebaard, omdat bewezen was dat zij vruchtbaar waren en vrouwen die nog niet in de overgang waren. Veel vrouwen kregen infecties door de behandeling die ze in dit blok kregen en stierven. Andere vrouwen werden gedood, zodat men via autopsie kon kijken welke effecten de behandelingen hadden in en op het lichaam.
Blok 11 was de gevangenis van het kamp en werd ook wel het Dodenblok genoemd. Gevangenen werden hier in het donker en zonder eten of drinken in de cellen in de kelder opgesloten. De allerkleinste cellen hadden een oppervlakte van nog geen vierkante meter, 90 cm x 90 cm. Hier werden 4 of 5 gevangenen in opgesloten. Via een hele kleine opening, die vlak bij de grond zat, moesten de gevangenen naar binnen kruipen en dan gaan staan in de donkere ruimte. Zelfs de mildste straffen duurden al gauw twee dagen. Bijna niemand overleefde het verblijf in zo'n cel. Tot mei 1942 woonden hier ook de gevangenen van de strafcompagnie. En het was dus het blok waar de eerste vergassingen in plaatsvonden.

Tussen blok 10 en blok 11 ligt een binnenplaats met een Dodenmuur. Tegen deze Dodenmuur werden duizenden gevangenen gefusilleerd. Ook werd er op deze binnenplaats gegeseld en gemarteld. Gevangenen werden er bijvoorbeeld opgehangen aan hun handen die op hun rug gebonden waren. De ramen van blok 10 waren aan de kant van deze binnenplaats dichtgetimmerd en de ramen van blok 11 aan de binnenplaats gedeeltelijk dichtgemetseld. De Dodenwand was een donkere, zwarte, houten wand, die nu is nagemaakt van steen. Op 11 november 1941, op de Poolse Onafhankelijkheidsdag werden hier de eerste executies voltrokken. 151 Poolse gevangenen werden toen tegen de muur gezet en doodgeschoten.

 

Binnen het kamp heerste er onder de gevangenen een strikte hiërarchie. Gevangenen die het laagst op de ladder stonden en die meestal het eerst stierven, waren de Russische krijgsgevangenen en de Joden. Zij werkten in de slechtste kommando's, waar de porties met eten nog kleiner waren dan voor de rest van de gevangenen. Boven hen stond een Vorarbeiter, die om zelf niet geslagen te worden, de mensen onder hem hard aan moest pakken. Daarboven stonden de Kapo's, die hun ondergeschikten vaak mishandelden om in een goed blaadje te komen bij de SS-ers. Boven de Kapo's stond de SS-onderofficier (Kommandoführer).

Binnen het blok mocht je jezelf gelukkig prijzen als je bij de Stubendienst zat. De gevangenen van de Stubendienst moesten de kamers van het blok schoonhouden. Zij werkten in een beschutte omgeving en hadden de mogelijkheid om te 'organiseren'. Boven hen stond de Blockältester met zijn hulpje de Blockschreiber. Daarboven de SS Blockführer en de Lagerältester (gevangene). De SS Lagerführer was de baas van alle Lagerältesten. De Lagerdolmetscher, de algemene tolk, was een hele belangrijke gevangene.

 

 

 
 

 

 

Kommando's waar je bij kon 'organiseren' waren bijvoorbeeld het keukenkommando, het Slachthauskommando en administratieve kommando's, zoals de Schreibstube, Arbeitsdienst of Politische Abteilung. Gevangenen met nette kampkleding kregen in het kamp gezag van de andere gevangenen. Deze gevangenen hadden vaak goede baantjes en konden klaarblijkelijk goed 'organiseren'. Hoe lager je kampnummer, hoe meer respect je ook kreeg, want hoe lager het kampnummer, hoe langer je je al in het kamp in leven wist te houden. Onder de gevangenen waren ook Spitzels. Spitzels waren gevangenen die tegen een beloning hun medegevangenen bespioneerden en eventueel aangaven bij de SS.

Elke gevangene droeg op de kampkleding een driehoekig stukje stof. Gevangenen met een rode driehoek waren politieke gevangenen, die met een groene de criminelen, paars de jehovagetuigen, blauw de emigranten, zwart de asocialen en roze de homoseksuelen. Joden hadden hier tot halverwege 1944 nog een gele driehoek overheen, aan het eind van 1944 kregen zij een gele streep boven de gekleurde driehoek. Een letter in de driehoek gaf het land van herkomst aan. Een stip eronder betekende dat je bij de strafcompagnie zat. En zo waren er nog een paar kentekens voor verschillende groepen gevangenen.  

Rudolf Höss was van mei 1940 tot 1943 de kampcommandant van Auschwitz. Hij werd na een onderzoek naar corruptie binnen het kamp weggepromoveerd en opgevolgd door Arther Liebehenschel die op zijn beurt in mei 1944 werd vervangen door Richard Baer. Vanaf  het najaar van 1944 beginnen de SS-ers met het evacueren van de gevangenen uit de kampen in Auschwitz. Dit gebeurt eerst met treintransporten naar andere kampen. Vanaf 17 januari 1945 begint de grootschalige evacuatie van de gevangenen naar andere kampen. Al vanaf het najaar zijn er af en toe transporten met gevangenen overgebracht naar andere kampen. De blokken en gaskamer in dit kamp bleven bewaard, terwijl in Birkenau alle gaskamers werden verwoest. Op 27 januari wordt het kamp bevrijd.
   

  Wij liepen vanaf de toegangspoort door naar blok 4, waar we een urn met een klein deel van de as van de slachtoffers die in het kamp is gevonden zagen staan, waar foto's hingen van mensen die op transport waren gezet, treinkaartjes die de mensen hadden moeten kopen voor deze transporten, foto's uit het Auschwitz-Album, hier zie je ook een heel treffend gipsen schaalmodel van Krematorium II, er liggen documenten in vitrines die beslissen over leven en dood van gevangenen en op de bovenverdieping zie je een grote vitrine vol met menselijk haar, wat in Auschwitz-Birkenau is afgeschoren. In deze zaal is het heel donker en het doet wat surreëel aan. Ik had van tevoren tegen het bezoek aan deze zaal opgezien, maar het raakte me minder dan ik van tevoren had verwacht. Wel viel me op dat er vooral donker haar in de vitrine lag. Er lag bijna geen blond haar tussen.

 

 

 

 

In blok 5 zagen we bezittingen van gevangenen in grote vitrines. In verschillende vitrines lagen: brillen, gebedsjaals, prothesen, koffers, kommetjes en kopjes, borstels en schoenen. Wat me vooral ook opviel in de blokken waren de trappen, waarvan de treden helemaal hol waren uitgesleten. Normaal zouden deze treden worden vervangen omwille van de veiligheid van de bezoekers, maar deze uitgesleten traptreden spreken de taal des tijds. Over deze zelfde treden liepen voor de oorlog de soldaten in de kazerne, liepen de gevangenen op weg naar hun slaapplaats, of op weg naar weer een verschrikkelijke dag die men moest zien te overleven en over die trappen liepen de bezoekers tijdens het Communistische bewind in Polen en lopen nu de bezoekers van over de hele wereld.

 

 

 

 

 

  In blok 6 zagen we foto's van gevangenen en in het kamp door gevangenen gemaakte tekeningen. In een vitrine hangt de bekende blauwwit gestreepte kampkleding. Je ziet hier ook foto's van wat ondervoeding met gevangenen deed. Achter blok 6 ligt een waterreservoir, wat werd aangelegd voor de kampbrandweer, omdat er steeds vaker bombardementen op het kamp waren. Het reservoir werd door de SS-ers gebruikt als zwembad.

We gingen naar de Dodenmuur op de binnenplaats tussen blok 10 en 11 en liepen daarna door blok 11, waar we de cellen zagen, waar de eerste vergassingen met Zyklon B gas plaatsvonden en de kleine stabunkers.

In blok 27, het blok over de Joden zagen we eerst een documentaire film over het leven van gelukkige Joden voor de Tweede Wereldoorlog, liepen we daarna door een zaal waarin we zagen hoe de Jodenvervolging begon en hoe de Joden daarna werden gedeporteerd. Een hele mooie kale zaal stonden hele kleine kindertekeningen, die men exact van kindertekeningen die in het kamp waren gemaakt had nagemaakt, op de muren. Het indrukwekkendst in dit blok was het meters dikke Boek der Namen, met de namen van 4,2 miljoen slachtoffers van de Holocaust.

In blok 21, het blok met de Nederlandse expositie ben ik bewust op zoek gegaan naar het opmerkelijke verhaal van Hans en Rob Beckman, twee politieke gevangenen die meer dan twee jaar in Auschwitz I hebben weten te overleven en wiens verhaal de reden was dat ik juist op dit moment in mijn leven een reis naar Auschwitz besloot te maken. Dat bijzondere verhaal zal ik later op deze pagina vertellen.

 

  Vanaf blok 21 liepen we naar blok 3, een blok wat niet voor elke groep open was. Gids Witek had er een sleutel van. We werden geteld bij het betreden van het blok en moesten ons opsplitsen. De ene helft kreeg tijd om de benedenverdieping te bekijken en de andere helft bekeek eerst de bovenverdieping en hierna wisselden we. Er werd ons verzocht niet tegen de muren aan te gaan staan of er tegenaan te leunen. Men heeft namelijk geprobeerd het blok zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat terug te brengen, herstelwerkzaamheden aan de wanden zijn ongedaan gemaakt en de oude muren zijn er weer onder tevoorschijn gekomen. In dit blok zie je hoe de gevangenen in stapelbedden van drie lagen sliepen en hoe de toiletruimte en wasruimte eruit hebben moeten zien. Toen we het blok verlieten werden we weer allemaal geteld en pas daarna werd het blok weer afgesloten.

We liepen vervolgens langs de galg waaraan de ter dood veroordeelde kampcommandant Rudolf Höss op 16 april 1947 werd opgehangen en die op de plek staat waar in de kamptijd de Gestapo werkte. Als je vanaf de galg naar rechts kijkt kun je achter de bomen en het hek de woning van de kampcommandant zien. Het is nu al jaren een particuliere woning.

Rudolf Höss schreef na zijn arrestatie op 11 maart 1946, tijdens zijn gevangenschap een verklaring. Dit was in februari 1947. Deze verklaring is in boekvorm uitgegeven. Een aantal citaten uit dit boek zal ik hier neerzetten, zodat dit verhaal ook belicht wordt vanaf de kant van een SS-er en omdat ik denk dat het inzicht verschaft in hoe de massavernietiging op zo'n grote schaal kon plaatsvinden. Waarom er zoveel mensen bereid waren om deze massavernietiging uit te voeren.

Höss had geen gemakkelijke jeugd. Hij had een strenge Nationaal Socialistische vader en hij ging al jong vechten aan het front in WO I. Dat werd van hem verwacht, maar eigenlijk was hij liever boer geworden. Hij kon erg goed met dieren omgaan. Hij werd veroordeeld voor moord op een vermeende verrader en zat lange tijd in eenzame opsluiting. Hij wist dus exact wat opsluiting met een mens deed. Hij was een tijdje uit de gratie bij het Duitse leger, maar uiteindelijk kon hij zich weer aansluiten en werd hij lid van de SS. In zijn boek vertelt hij o.a. het volgende:

'Als een lid van de SS unit dacht ik er niet over na wat een concentratiekamp was. Dat was onbekend en vreemd voor me. Ik kon me bij lange na niet voorstellen hoe het daar was. In Pomerania op het platteland hadden we er nog bijna niks over gehoord. de vraag om er te komen werken was voor mij gewoon de vraag om weer een actieve soldaat te worden en om verder te gaan met mijn militaire carrière. Ik ging naar Dachau.'

'Ik zou naar Eicke of Himmler hebben moeten gaan en moeten uitleggen dat ik niet geschikt was voor werk in een concentratiekamp, omdat ik zoveel sympathie voelde voor de gevangenen, maar ik kon er de moed niet voor vinden. Ik wilde niet dat men mij zou uitlachen. Ik wilde mijn zwakheid niet tonen. Ik was te eigenwijs om mijn fout toe te geven en dat ik beter op het platteland had kunnen blijven werken. Ik was te trots op mijn zwarte uniform van de SS. En als ik had toegegeven dat ik te soft was voor SS werk, was ik meteen ontslagen. En dat kon ik niet aan.'

 

'Toen de Reichsführer SS (Himmler) me het bevel gaf om installaties te bouwen voor massavernietiging en om die persoonlijk uit te gaan voeren, had ik geen idee van de omvang en de consequenties van het bevel. Toch leek het me een goed bevel. Ik heb er niet verder over nagedacht. Een order was een order. Als we dit moesten doen om de oorlog te winnen, dan deed ik het. Of het ook noodzakelijk was, daar kon en ik wilde ik niet over oordelen. Ik ben er zeker van dat geen enkele SS-officier er over nagedacht zou hebben, of had kunnen weigeren. Een bevel van de Führer of Reichsführer SS dat volgde je gewoon op. Ook al was zo'n bevel soms heel erg beledigend of mensonterend. De SS training was niet zomaar een opleiding, de training zat diep ingebakken. de Reichsführer SS wist dat hij altijd op iemand kon rekenen en heel veel kon eisen.'

'Tijdens mijn eerste ervaring met het vergassen van mensen realiseerde ik me niet echt wat er gebeurde, omdat ik te erg op het proces gefocussed was.'

'Ik piekerde niet zoveel na de vergassing van de 900 Russen. Eigenlijk was ik wel opgelucht. We hadden een manier gevonden om het bevel van de massavernietiging van de Joden in het kamp uit te voeren. En dat hoefde niet d.m.v. vuurpelotonnen. Ik had verschrikkelijke verhalen gehoord over Eichmann's Einsatzkommando's. Zulke bloedbaden zouden ons bespaard blijven.'

  'De mannen die onder mijn dienst vielen vroegen me vaak of het echt noodzakelijk was dat we deze gruwelijkheden uitvoerden. Een vraag die ik mezelf al zo vaak had gesteld. We werden allemaal gekweld door twijfel. Het was essentieel dat ik er van overtuigd bleef dat we voor ons land dit bevel moesten uitvoeren, zodat ik op mijn beurt de mannen weer kon overtuigen. Ik moest koud en onverschillig overkomen en moest onbewogen blijven toekijken, terwijl moeders met lachende of huilende kinderen de gaskamers instapten.'

'Ik moest alles zien. Ik moest overal van tijd tot tijd bij zijn om mijn mannen vertrouwen te geven en te laten zien dat ik waardeerde dat ze mijn orders uitvoerden.'

'Hoge SS-leden die met eigen ogen kwamen kijken en vooraf vaak groots spraken over het vermoorden van Joden, werden vaak stil na het gezien te hebben. Ze vroegen ons hoe we dit keer op keer konden aanschouwen en uitvoeren.' 

Mengele, Höss en Kramer    

'Ik polste Eichmann verschillende keren op subtiele wijze om erachter te komen of hij ook twijfels had, maar hij was heel vastberaden. Het maakte dat ik me schuldig voelde tegenover de Führer over mijn twijfels.

''Als ik iets vreselijks had meegemaakt wat me dwars bleef zitten, kon ik niet naar huis. Ik zadelde mijn paard en reed alles uit mijn gedachten. Mijn zorgen speelden soms 's nachts op. Of als ik mijn kinderen zag spelen.'

'De exterminatie van de Joden was fundamenteel verkeerd, zie ik nu. Het kwam niet ten goede aan het antisemitisme. De Joden kwamen zelfs dichter bij hun doel. Ik wist van de martelingen en het wangedrag tegen gevangenen van Auschwitz door bewakers en medegevangenen, maar ik kon daar niks tegen doen. Ik kon niet de hele tijd in het kamp zijn en dan overal tegelijk zijn. Ik heb nooit een gevangene mishandeld of geslagen met mijn zweep. In mijn hart blijf ik Nationaal Socialist, dat zit er in en dat krijg je er niet meer uit. Ik maak me de meeste zorgen over wat er met mijn familie gaat gebeuren. Mijn leven is ten einde. Ik weet welk lot mij wacht. Ik wil graag dat alle passages over mijn familie en al mijn emoties en geheime twijfels niet publiek worden gemaakt. Laat het publiek maar blijven denken dat ik een monster ben en een sadist en massamoordenaar, want de meeste mensen zouden me toch niet in een ander licht kunnen zien. Ze kunnen toch niet begrijpen dat ook hij een hart had en niet kwaadaardig was.'

 

 

 

 

Vanaf de galg loop je langs de bunker waarin het crematorium en de gaskamer gevestigd waren. Boven de bunker zie je een grote schoorsteen uitsteken. We liepen hier door de gaskamer en door het crematorium en daarmee waren we aan het einde gekomen van de eerste tour. Tijd om het bezoek even te laten bezinken was er niet, want we hadden ongeveer een half uur pauze, voordat we naar Birkenau zouden rijden met de bus. Dus snel naar het toilet, naar de boekwinkel om een aantal boeken te kopen, snel wat eten en snel weer in de bus. Op weg naar Birkenau. 

Auschwitz II-Birkenau

Ongeveer 3 km van Auschwitz I werd eind 1941 bij het plaatsje Brzezinka een nieuw kamp gebouwd van 175 hectare. Het dorp werd hiervoor deels ontruimd en gesloopt, de bewoners moesten gedwongen verhuizen. Birkenau werd gebouwd als vernietigingskamp door gevangenen uit Auschwitz I. De houten barakken van het kamp werden pas laat geleverd. Elke barak was 40,76 meter lang en 2,65 meter breed. In elke barak waren twee haarden met schoorstenen, die de barakken moesten verwarmen. Elke gevangene beschikte over ongeveer 3 kubieke meter ruimte. Sector I (links van de Neue Rampe), waar voor een deel stenen barakken stonden, die nog redelijk goed bewaard zijn gebleven, werd in 1942 in gebruik genomen. In 1943 werd sector II van het kamp, dat was opgesplitst in zes subkampen, pas gebouwd. Het ziekenkamp bestaat dan al. In sector II bevonden zich van achter naar voor zich het ziekenkamp BIIf, het familiekamp voor Roma en Sinti BIIe, het mannenkamp BIId, het doogangskamp voor Hongaarse vrouwen BIIc, het familiekamp voor de gedeporteerden uit het getto van Theresienstadt BIIb en het quarantaine kamp voor mannen BIIa.

   



Vanaf maart 1942 was kamp Birkenau in werking. Op 1 maart werden de Russische krijgsgevangenen uit het basiskamp overgebracht naar sector BIa. Het Russische deel in Auschwitz I werd toen een vrouwenkamp, eind maart kwamen er 2000 vrouwen uit verschillende kampen naar Auschwitz. Na een paar maanden waren bijna alle Russen in sector BIa in Birkenau gestorven en in augustus 1942 werden de vrouwen uit het basiskamp naar BIa in Birkenau verplaatst. In barak 13 zijn tekeningen op de wanden gevonden, deze werden gemaakt door volwassen gevangenen (vrouwen) die deze sprookjesachtige schilderingen maakten om het verblijf van hun kinderen nog enigszins aangenaam te maken. In deze barak werden o.a. moeders met kinderen uit het getto van Warschau opgevangen. In juli 1943 werd dit vrouwenkamp uitgebreid met sector BIb. Het ging hier niet om Joodse vrouwen, maar om misdadigsters, prostituees, asocialen, politieke gevangenen en Jehova getuigen. De barakken met de sanitaire voorzieningen werden pas in 1943 voltooid. Ook de strafcompagnie en het Sonderkommando werden hier later gehuisvest.

  Er werd ook gebouwd aan een vertakking van de spoorlijn. Vanaf het station in Oswiecim werd deze vertakking aangelegd. Transporten kwamen vanaf toen aan op de Judenrampe die tussen Auschwitz I en Birkenau ligt. Vanaf deze nieuwe Judenrampe moesten de gevangenen zo'n 800 tot 900 meter lopen naar het kamp. Er werden voor de zwakkere mensen uit de transporten vrachtwagens ingezet. Op het perron vond de selectie plaats. Als er mensen nodig waren voor de verschillende werkkommando's, bijvoorbeeld omdat de sterfte in het kamp op dat moment groot was, was de kans om de selectie te overleven groter, dan wanneer het kamp al overvol zat. De fitste mensen werden dan geselecteerd en de rest ging naar de gaskamers. Op deze Judenrampe staat nu een veewagon. Hier komen maar weinig toeristen. Pas toen de komst van de Hongaarse Joden in 1944 werd aangekondigd besloot men een spoor aan te leggen tot in het kamp. Deze vertakking liep vanaf het station in Oswiecim onder de wachttoren van de poort door het kamp in. Het nieuwe perron werd Neue Rampe of Bahnrampe genoemd, had drie sporen en liep parallel aan de Hauptstrasse.
Het perron lag tussen sector I en II en vlak bij  Krematoria II, III, IV en V.  Op 5 september 1944 kwam hier een van de laatste transporten uit Westerbork aan. Het laatste transport vanuit Westerbork naar Auschwitz. In deze trein zaten o.a. Anne Frank, Margot Frank, Otto Frank Edith Frank en Auguste van Pels. Anne Frank is tot 28 oktober in Birkenau geweest en werd daarna, net als haar zus Margot en later ook Auguste van Pels, op transport gezet naar Bergen-Belsen, waar ze in de laatste maanden voor de bevrijding van uitputting, ondervoeding en ziekte sterft. Margot sterft een aantal weken eerder. Auguste van Pels overleed op 9 april 1945 tijdens een transport naar Theresienstadt. Edith Frank sterft in januari 1945 in Birkenau. Van alle onderduikers uit het Achterhuis overleeft alleen Otto Frank. In hetzelfde transport dat op 5 september 1944 in Auschwitz II arriveerde zaten ook Inge Kamp en Fritz Kamp. Inge haar man wordt in Auschwitz II vermoord en haar twee zoons Rolf en Nico zitten ergens in Nederland ondergedoken. Op het moment dat ze op transport worden gezet denkt men dat Auschwitz al bevrijd is door de Russen, maar niets blijkt minder waar. Inge wordt vanuit Auschwitz II op transport gezet naar Gross-Rosen, waar ze Mengele ziet, die ook daar een selectie komt uitvoeren. Inge doorstaat de selectie en wordt uiteindelijk bevrijd. In 2013 komt het boek De laatste trein naar Auschwitz uit, waarin Inge, Rolf en Nico hun herinneringen aan die tijd vertellen.


 
 
   


In het ziekenkamp BIIf worden al vanaf februari 1942 de zieken verzorgd door medegevangenen die arts zijn. Hier liggen mensen met TBC, vlektyfus, gebroken ledematen etc. De stank van uitwerpselen is al van verre te ruiken. Genezing is bijna niet mogelijk en de meeste mensen zullen hier sterven of vanuit dit kamp naar de gaskamers gaan. Toch proberen de artsen hier samen te werken om zoveel mogelijk mensen te redden.
 
Vanaf mei 1942 komen er 300.000 Poolse Joden en 23.000 Oostenrijkse en Duitse Joden naar het kamp en vanaf juli is het de beurt aan 60.000 Joden uit Nederland. In augustus start de deportatie van Belgische en Joegoslavische Joden. daarna volgen de Joden uit het Protektoraat van de Bohemen en Moravië, Noorwegen, Griekenland, Tsjechië (Theresienstadt), Italië en Hongarije en als laatste kwamen vanaf augustus 1944 de 13000 Polen die opgepakt waren bij de opstand in Warschau. Ook veel Roma en Sinti worden naar dit kamp gebracht en de Joden uit het getto van Lodz. In Birkenau kwamen tussen 1,1 en 1,6 miljoen mensen om het leven, vooral door verstikking in de gaskamers.

Het quarantaine kamp BIIa was voor gevangenen die net in het kamp waren. De omstandigheden in dit kamp waren erbarmelijk. Het voedselrantsoen was er erg laag, omdat deze gevangenen nog niet mochten werken. Velen overleefden de quarantaine niet en gingen alsnog naar de gaskamers.
Op 6 september 1942 vertrokken de eerste twee transporten met Joden uit het getto van Theresienstadt naar Auschwitz. En in december volgde een tweede reeks van transporten. Er vond bij deze transporten geen enkele selectie plaats. Iedereen werd naar kamp BIIb gebracht. Het kamp was een rechthoek van 600 m x 300 m met 32 barakken. Mannen, vrouwen en kinderen verbleven in hetzelfde kamp, al sliepen de mannen gescheiden van de vrouwen en kinderen. Het werd de mensen hier toegestaan om naar huis te schrijven. Alleen positieve berichten over het kamp werden verstuurd. Het werd de gevangenen toegestaan een schooltje op te richten voor de kleinste kinderen. Ook mochten de gevangenen muziek maken en er ontstond een orkest. Er werden toneelstukken opgevoerd en poëzieavonden georganiseerd. De SS-ers kwamen ook graag naar deze avonden toe voor hun eigen vermaak. In mei kwamen er nog meer transporten aan, de SS wilde het getto zo leeg mogelijk hebben, omdat het Rode Kruis in juni 1943 een inspectie zou houden in het getto. Vanaf mei 1943 zaten er ongeveer 11000 mensen in het Familienlager. Er sliepen toen 3 tot 5 personen op elke laag van een stapelbed. Het sterftecijfer in het kamp was hoog, vanwege de slechte hygiënische omstandigheden. Op 8 maart 1944 waren de mensen van de eerste transporten die in het kamp waren aangekomen uit het kamp geliquideerd in de gaskamers, precies een half jaar na hun aankomst in het kamp. Vanaf toen besefte men dat men dit kamp waarschijnlijk niet levend zou verlaten. Er ontstond een ondergronds verzet. Eind juni verwachtte men dat de mensen van de decembertransporten (na een half jaar in het kamp) naar de gaskamers zouden worden gebracht. Men stond klaar om in opstand te komen, maar men kreeg te horen dat er geen liquidatie zou plaatsvinden. En dat klopte. Op 20 juni 1943 werd er een selectie uitgevoerd en werden arbeidsgeschikte mannen en vrouwen naar andere kampen overgebracht. Op 11 juli begonnen de liquidaties toch nog onverwacht en in de dagen die volgden werden alle mensen uit kamp BIIb naar de gaskamers gebracht.  

  In het doorgangskamp voor Hongaarse Joodse vrouwen BIIc, ook wel Mexico genoemd, zaten Hongaarse vrouwen die nog fit genoeg waren om te werken. Zij werden geselecteerd, omdat de gaskamers de aanvoer van de Hongaarse Joden niet aankonden. Soms werden zij naar andere kampen overgebracht om te werken en anders moesten ze hier wachten tot er ruimte zou komen in de gaskamers. Elke week was er een selectie door dokter Mengele of dokter Thilo. De vrouwen gebruikten soms hun eigen bloed om op hun wangen te smeren, zodat ze een gezonde rode kleur op hun wangen hadden. Wie niet gezond genoeg was werd gefusilleerd in de buurt van Krematoria II of III. Er was ook een deel van dit doorgangskamp gelegen in sector III, dat rechts naast sector II lag. De hygiënische omstandigheden in dit kamp waren zeer slecht. Deze sector werd op 6 oktober 1944 opgeheven en de gevangenen die er toen nog zaten moesten naar BIIc. Er zaten toen 43.462 vrouwen in de 32 barakken in BIIc. Dat was zelfs een overbevolking binnen de omstandigheden van Birkenau. Er werden 2000 vrouwen en meisjes uit het kamp vergast en vrouwen die nog konden werken werden op transport gezet naar andere kampen.
 
Je ziet nu overal in Birkenau gras groeien op de velden, maar dat was toen niet het geval. Als er iets groeide duurde het niet lang, voordat het werd opgegeten. Je belangrijkste bezit was je kommetje voor het eten. Het was ook meteen de po waar je 's nachts je behoefte op kon doen. Als je geluk had lag er sneeuw buiten en kon je je kommetje schoonmaken, zo niet dan gebruikte je aarde, zand schuurt en reinigt ook. In natte weersomstandigheden was het een grote modderige drekmassa op de velden.

BIIb was het mannenkamp. BIIe was het kamp waar de Roma en de Sinti werden gehuisvest. Ook dit was een familiekamp met 32 barakken. Hier zaten vanaf februari 1943 zo'n 21000 Roma en Sinti gevangenen. De meeste Roma en Sinti kwamen in dit kamp terecht, er vond op het perron geen selectie plaats, maar een transport van 2000 Roma en Sinti werd meteen bij aankomst vergast, omdat de SS-ers vermoedden dat ze vlektyfus hadden. De Roma en Sinti kregen bij registratie een Z voor hun nummer. Ze mochten een paar spulletjes die ze nodig hadden voor het dagelijks leven meenemen naar de barakken. Onder de Roma en Sinti waren veel Duitsers en een paar Russen, Polen, Noren, Litouwers, Hongaren, Belgen, Spanjaarden, Kroaten, Joegoslaven, Nederlanders en Fransen. Sommige Roma en Sinti hadden in WO I nog voor het Duitse Rijk gevochten en waren daarvoor onderscheiden. De Duitse Roma en Sinti waren rijk en konden soms onderhandelen met de kapo's om levensmiddelen te kopen. Barak 32 was de barak waarin kamparts Joseph Mengele zijn experimenten uitvoerde. In barak 31 richtte Mengele, die de kamparts was van het zigeunerkamp, een crèche op voor de zigeunerkinderen en er kwam ook een kleine speeltuin. Hier kwamen veel hoge officieren voor propagandafoto's. Er werden foto's van hen gemaakt waarop zij met de kinderen speelden. Mengele gaf de kinderen soms een extraatje, zoals melk, of een chocolaatje. Dit alles was om het vertrouwen te winnen, zodat ze later makkelijker mee zouden gaan voor zijn experimenten, die in dit kamp begonnen. En waar ik later meer over zal vertellen. Ook liet Mengele de gevangenen ontluizen, omdat hij er verantwoordelijk voor was om epidemieën zoveel mogelijk te voorkomen. De gevangenen moesten zich dan ontkleden en buiten de barakken gaan staan, ongeacht het weertype en werden daar ontluisd en gedesinfecteerd. Ook moesten de gevangenen ter voorkoming van schurft een keer in twee baden stappen, eentje met natriumzwavelzuur en eentje met zoutzuur. Mengele staat er bekend om dat hij heel goed mensen kon paaien, maar dat hij ook erg wreed was.  Nadat Himmler in juli 1943 had gezien hoe slecht de omstandigheden in het kamp waren en dat er allemaal ziektes in het kamp waren en mensen en kinderen met Noma waarvan het gezicht langzaam wegrotte, besloot hij dat het tijd was om de mensen uit dit kamp te vernietigen. Tussen 2 en 4 augustus 1944 werden alle 2897 mensen uit dit kamp naar de gaskamers gebracht. Een aantal Roma en Sinti wist Birkenau te overleven. Een aantal van hen werd naar werkkampen in Duitsland gestuurd. Er werd zelfs een aantal halfbloedzigeuners vrij gelaten, onder voorwaarde dat zij zich vooraf lieten steriliseren. Ook zigeuners met onderscheidingen voor het vechten in WO I werden soms vrij gelaten als zij halfbloed waren en als hun niet-zigeunerfamilie daar verzoeken toe deed. Nadat het kamp was ontruimd werden er Hongaarse gevangenen in de barakken geplaatst en werd het veldhospitaal in het aangrenzende BIIf uitgebreid met een aantal van deze barakken.

Achter kamp BIIf ligt BIIg. Dit was het Effektenlager, door de gevangenen Kanada II genoemd. het werd in december 1943 in gebruik genomen. De eerste opslag van goederen was in blok 26 van het Stammlager, maar toen dat te klein werd kwam er een opslagplaats in de buurt van het station in Oswiecim, waar op dat moment nog de transporten aankwamen. Deze opslag werd Effektenlager genoemd en door de gevangenen Kanada, naar het rijke vrije land. In Kanada werden de in beslag genomen bezittingen van de gevangenen en vergasten gesorteerd. Toen kamp Birkenau gebouwd was en het kamp zich uitbreidde werd Kanada verplaatst naar BIIg, waar 30 barakken stonden die bestemd waren voor de opslag van goederen. De gevangenen die hier werkten konden soms, heel stiekem, iets 'organiseren'. Dat organiseren gebeurde er niet op grote schaal, want als een misstap werd ontdekt volgde een fikse straf, die meestal eindigde in de dood. Toch was het werken in Kanada een gewild baantje, het was geen overdreven zwaar werk, men werkte soms in de barakken en was dan beschermd tegen de kou en regen, men kon betere kleding regelen en dragen en vaker van kleding wisselen en men kon soms deals sluiten met Kapo's of SS-bewakers en extra eten regelen. Er werkten hier, afhankelijk van de periode, 600 tot 2000 gevangenen tegelijk. Op de plek waar barak 5 stond is nu een vitrine met lepels en ander bestek die na de bevrijding in Kanada II zijn gevonden. In Kanada werkten veel corrupte SS-ers die geld en andere kostbaarheden achterover drukten. Deze corruptie kostte Rudolf Höss na onderzoek in 1943 zijn baan.  
  Helemaal achteraan in het kamp, achter Kanada II staat de Zentralsauna. Na de grote tyfusepidemie werd deze ontworpen en in december 1943 in gebruik genomen. Eerder waren er sauna's in de verschillende subkampen van de sectoren BI en BII. Hier werden de gevangenen die geselecteerd waren en niet naar de gaskamers hoefden gedesinfecteerd. Eerst moesten zij zich uitkleden in een grote ruimte, daarna ging men naar de medische keuring en werd het hoofd- en lichaamshaar afgeschoren, vaak met botte tondeuses, waardoor het haar er meer afgetrokken werd, dan afgeschoren. Daarna werd men gedoucht en gedesinfecteerd en dan kreeg men kleding uitgereikt. Dit waren niet altijd de blauwwit gestreepte kampkleren, maar ook wel gewone kleren van andere gevangenen. Op de linkerarm werd het registratienummer getatoeëerd vanaf maart 1942. In 2000 is dit gebouw helemaal gerestaureerd. Er is nu een permanente tentoonstelling in het gebouw.

Achter het kamp lag het berkenbos, waar de naam Birkenau (Brzezinka) vandaan komt. In dit bos lagen de gaskamers en crematoria. Dit deel van het kamp werd door een hoge omheining die onder stroom stond afgeschermd van de rest van het kamp. De eerste gaskamers werden gecreëerd in twee boerderijen die al op het terrein lagen. De boerderijen werden het Rode en het Witte huisje genoemd, ook wel Bunker I en II. In Bunker I waren twee gaskamers en in Bunker II vier gaskamers gemaakt. De lijken werden in grote massagraven op een paar honderd meter afstand van deze Bunkers begraven, later werden de lijken in greppels verbrand. In deze Bunkers was geen mechanische ontluchtingsinstallatie en er waren, vooral in de winter, grote problemen met de ventilatie van de gaskamers, vooral in Bunker I. In Bunker II was het iets beter, omdat elke gaskamer daar voorzien was van twee deuren, waardoor beter ontlucht kon worden. Het Rode Huisje werd in maart 1942 in gebruik genomen en het Witte Huisje in juni 1942. De mensen die te voet, of met vrachtwagens van de Judenrampe kwamen moesten zich in het begin in de buitenlucht uitkleden. Later werden daarvoor houten barakken bij de Bunkers geplaatst. Boven de deur van de Bunkers stonden ook hier teksten als 'Desinfektion', zodat gevangenen tot het laatste moment om de tuin werden geleid. De activiteit in deze gaskamers ging door tot het voorjaar van 1943, daarna werden de Bunkers gesloten en gedeeltelijk afgebroken. In de zomer van 1944, toen de nieuwe crematoria de vele transporten niet aankonden, werd Bunker II weer geopend en in gebruik genomen. Pas in de jaren '90 van de vorige eeuw werd de exacte plek van Bunker I gevonden. Bunker I ligt ver buiten het kamp en er zijn weinig bezoekers die er naartoe gaan. Bunker II ligt helemaal achteraan in het kamp, maar is veel makkelijker te bereiken dan Bunker I, ook bij Bunker II komt de gemiddelde toerist nauwelijks.

Krematorium I lag in Auschwitz I, daarom begon de nummering hier in het kamp met Krematorium II. De gevangenen van het Sondernkommando noemden de crematoria echter Krematorium I t/m IV. Krematorium II en Krematorium III, volgens de officiële benamingen, lagen gespiegeld ten opzichte van elkaar achter sectoren BI en BII. De Neue Rampe leidde recht naar deze twee crematoria. De kelders waarin de gaskamers waren, waren oorspronkelijk bedoeld als mortuaria. Lijken zouden via een soort glijbaan in deze mortuaria gedropt kunnen worden, maar toen de Bunkers niet goed bleken te functioneren als gaskamers werd besloten om de gaskamers in deze kelders te plaatsen. Deze kelders kregen een mechanisch ventilatie- en ontluchtingssysteem.  Op de plek waar oorspronkelijk de glijbaan zou komen werd een trap gemaakt, waarover de gevangenen van het Sonderkommando de lijken uit de gaskamers naar boven konden dragen. Krematorium II werd op 31 maart 1943 in gebruik genomen en Krematorium III op 25 juni. Krematorium II zou eigenlijk gebouwd worden in Auschwitz I. Tijdens de bouw moest de kelder al worden verbouwd van mortuarium naar gaskamer. Pas toen Krematorium II al in werking was werd de gaskamer eind 1943 in tweeën gedeeld, waardoor er twee gaskamers ontstonden.  
    Krematorium II
  Hetzelfde gebeurde toen met de gaskamer van Krematorium III. De ondergrondse ruimte was L-vormig. Via een trap kwamen de gevangenen in de eerste ondergrondse ruimte. Dat was de ontkleedruimte. Daarna ging men de bocht om naar de tweede ondergrondse ruimte. Dit was een enorme gaskamer (later twee) waarin 1500 tot 2000 mensen tegelijk konden worden vergast. Het plafond werd ondersteund door 7 grote pilaren. Aan het plafond hingen douchekoppen, zodat de gevangenen tot het laatste moment dachten dat ze zouden gaan douchen en gedesinfecteerd zouden worden. Het Zyklon B gas, dat door de SS altijd in als Rode Kruis gecamoufleerde vrachtwagens werd vervoerd, werd door vier openingen vanaf het dak de ruimte in gedeponeerd, de openingen leken op vier korte schoorstenen die boven de grond uitstaken. In het boven de grond gelegen deel van het Krematorium stonden 5 ovens  van het bedrijf Topf und Söhne. Die ongeveer 1500 lijken per 24 uur konden verbranden. De SS probeerde constant om het hele proces van vergassing tot verbranding zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Zo ontdekte men dat men drie lijken tegelijk in de ovens kon verbranden. Als een van de drie lijken wat dikker was dan de andere lijken, dan werkte het nog beter, want door het extra vet brandde het beter en bespaarde men brandstof.
 De as van de overledenen werd uitgestrooid over het veld, de Hof. Er was nog een zesde oven, waarin alle waardeloze bezittingen van de slachtoffers werden verbrand. Krematorium II werd tot november 1944 gebruikt en toen werd begonnen met de ontmanteling. Van Krematorium III weet men dat er een gieterij was waarin een smeltkroes stond waar gouden kronen werden omgesmolten. Op de bovenzolder, die verwarmd werd door de onderliggende ovens werd het haar, dat na het afscheren door de gevangenen gewassen werd, te drogen gelegd. Later woonden op de zolders van Krematorium II en III de gevangenen van het Sonderkommando.

Krematorium IV werd oorspronkelijk ontworpen om de slachtoffers van de vergassingen in de nabijgelegen Bunkers I en II te verbranden. Er zou een crematorium komen, met daarnaast ruimtes om de lijken in op te stapelen. Eind 1942 werd besloten dat ook hier gaskamers zouden komen. Er was echter geen rekening gehouden met een ventilatiesysteem. De gaskamers werden aan de andere kant van het gebouw gemaakt dan de ovens. Daartussen kwam de ontkleedruimte, die na de vergassing dienst deed als ruimte waarin de lijken opgestapeld konden worden. De as van de slachtoffers werd hier in de vijver die in het bos lag gegooid, of in grote kuilen naast het Krematorium, die nu nog zichtbaar zijn, gegooid. In het Krematorium waren twee grote gaskamers van 100m2 en twee kleinere gaskamers. Het Zyklon B gas werd door verschillende openingen in de muur door luchtdichte raampjes op twee meter hoogte naar binnen gegooid. Dit werd gedaan door 1 persoon met een trapje. Nadat het eerste blik naar binnen werd gegooid verdrukten de gevangenen zich in de andere hoek van de ruimte, maar daarna volgden een voor een de andere blikken door de andere raampjes. In de gaskamers stonden kleine ovens die ervoor zorgden dat de temperatuur in de gaskamers optimaal was voor de vergassing met Zyklon B.  
    Krematorium IV 
De oven kon maar 768 lijken per 24 uur verbranden. Deze oven was oorspronkelijk bestemd geweest voor een verbrandingsinstallatie in Wit-Rusland. Op 22 maart 1943 was dit het eerste Krematorium dat in Birkenau werd opgeleverd. De oven met acht moffels kon het werk niet aan en na twee weken was de oven al defect, men probeerde de oven nog te maken, maar vanaf half mei werd de oven al niet meer gebruikt. Vanaf de zomer van 1944 verbleven de gevangenen van het Sonderkommando in de ontkleedruimte. Op 7 september 1944 werden er vier foto's, genomen door een lid van het Sonderkommando, het kamp uit gesmokkeld. Op de foto's stonden naakte vrouwen die naar de gaskamers gingen en leden van het Sonderkommando die in de open lucht lijken in greppels verbrandden, omdat de ovens het werk niet aankonden. In Krematorium IV brak op 7 oktober 1944 een opstand uit. Deze opstand was gepland samen met het Poolse verzet. De mensen van het Sonderkommando wisten dat de SS al van de op handen zijnde opstand op de hoogte was. Toch lieten ze de opstand doorgaan, want ze wisten dat het Sonderkommando elke vier maanden vermoord en vervangen werd en dat hun tijd gekomen was. De gevangenen vielen de SS-ers aan met houwelen en stenen, maar ze hadden ook geweren en explosieven die door vrouwen van het vrouwenkommando dat in de munitiefabriek werkte naar het Sonderkommando gesmokkeld waren. Deze vrouwen lieten later niets los, redden daarmee het leven van veel verzetsleden, maar moesten dit bekopen met hun eigen leven. De leden van het Sonderkommando bliezen een deel van het Krematorium op en staken het Krematorium in brand. Het Krematorium raakte zo beschadigd dat de SS besloot om het Krematorium in de dagen erna af te breken. In Krematorium II sloot men zich bij de opstand aan. Na deze opstand werden er 450 gevangenen van het Sonderkommando door de SS-ers vermoord, dat was ongeveer de helft van het hele Sonderkommando. Er waren bij de opstand drie SS-ers om het leven gekomen.

 

   

  Krematorium V dat recht tegenover Krematorium IV lag, zag er exact hetzelfde uit als Krematorium IV en werd op 4 april 1943 in gebruik genomen. De twee grote stenen schoorstenen van de gebouwen staken wel 17 meter de lucht in. Door het defect van de oven in Krematorium IV wist men wat men bouwkundig moest aanpassen om eenzelfde oven in Krematorium V niet kapot te laten gaan. Deze oven heeft in eerste instantie dienst gedaan tot september 1943. Toen was gebleken dat de ovens van Krematoria II en III het werk wel aankonden. In mei 1944 werd de oven weer in gebruik genomen toen de transporten uit Hongarije binnen kwamen. Maar de oven kon het werk niet aan en er werden lijken in de buitenlucht in diepe greppels verbrand. Toen Krematoria II en II in november 1944 werden ontmanteld was Krematorium V het enige nog werkende Krematorium in Birkenau. Hier werden Poolse gevangenen die door de SS veroordeeld werden vermoord. Op 20 januari worden Krematoria II en III opgeblazen, Krematorium IV was al verwoest en op 26 januari 1944 werd Krematorium V als laatste opgeblazen. Op 23 januari steken de Ss-ers de barakken van Kanada II in brand. Er mocht geen bewijs achterblijven voor het oprukkende Russische Rode Leger.

Vanaf 17 januari 1945 wordt er getracht om zoveel mogelijk gevangenen te evacueren naar andere kampen. Tijdens de zogenaamde 'dodenmarsen' waarbij bijna 60.000 gevangenen in grote colonnes te voet door de sneeuw, zonder eten en drinken, goede kleding en goed schoeisel naar andere kampen worden gedreven. Velen zijn al verzwakt als ze aan deze barre tocht beginnen en gevangenen die neervallen worden in de sneeuw achtergelaten. Slechts ongeveer 10.000 gevangenen worden in het kamp achtergelaten. Deze gevangenen zijn zo zwak dat de SS-ers er vanuit gaan dat zij nog voor de komst van de Russen zullen sterven. Als het Rode Leger op 27 januari 1945 het kamp komt bevrijden treffen ze nog ruim 7500 gevangen, meer dood dan levend, in het kamp aan. De overgebleven bewakers werden onmiddellijk door de Russen gedood. Bekijk hier een schokkende documentaire over Auschwitz, met beelden van vlak na de bevrijding.
   

Toen wij bij de poort van Birkenau aankwamen mochten wij eerst de wachttoren boven de poort bezoeken. Dit bezoek is slechts voor een deel van de bezoekers weggelegd. Vanuit de wachttoren kon je het hele kamp overzien. recht voor de poort had je Der Neue Rampe, links lag sector BI en rechts sector BII, In BI staan nog stenen barakken overeind, in BII zie je een woud van stenen schoorstenen. Achterin zie je de resten van Kanada II en Krematorium II en III. Je ziet in de verte het Internationale Monument liggen en verderop de Zentralsauna. Helemaal rechts zie je waar sector BIII (Mexiko) heeft gelegen. Gezien de omvang van de vernietiging had ik een nog groter kamp verwacht, maar de gevangenen zaten hier natuurlijk dicht opeen gepropt. Vergeleken bij de andere kampen (op Majdanek na) is het nog steeds een enorm groot kamp.
   
 
Hierna liepen we eerst naar het Quarantaine kamp voor mannen, BIIa. Hier staan een aantal houten barakken. Deze barakken zijn ingericht als woonbarakken, waarin stapelbedden van drie lagen staan. In een andere barak konden we latrines zien. De gevangenen deden hun behoefte op grote gaten in een betonnen verhoging met daaronder een geul. Er was geen rioleringssysteem, dus gevangenen moesten deze latrines elke dag leegscheppen. Toch was een baantje in het Scheiss Kommando niet zo erg, want je kon binnen werken en je wist zeker dat er geen SS-ers of Kapo's op je vingers stonden te kijken of je de hele dag zouden slaan als ze daar zin in hadden, omdat zij liever niet binnen de stinkende barakken kwamen.
We liepen over de Neue Rampe waar nog een oude veewagon staat. In zo'n kleine wagon zaten op de lange transporten, zoals de transporten uit Nederland zo'n 80 mensen en op de korte transporten van ongeveer een dag soms wel 200 mensen. In een wagon stond een emmer waar je je behoefte op kon doen, maar zo'n emmer was natuurlijk al heel snel vol. Vanuit Westerbork kwamen er 68 transporten met in totaal 58.380 mensen, waarvan slechts 854 overleven, in Auschwitz aan, maar deze transporten kwamen niet aan op deze Neue Rampe, die werd slechts twee maanden gebruikt. We liepen over het pad tussen het Hongaarse kamp en het Mannenkamp door. Het pad vol kuilen en stenen is in erg slechte staat. Gelukkig zijn de paden hier niet netjes geasfalteerd voor de bezoekers. Nu kon je je nog een voorstelling maken hoe het was om hier door het kamp te lopen.  
  We liepen aan de andere kant van het kamp verder langs het kamp voor de Roma en Sinti en het veldhospitaal. In de verschillende kampen zie je nog wat funderingen van de barakken en van veel barakken staan de stenen schoorstenen nog overeind. Alles wat van hout was staat er niet meer. Ook liepen we langs een grote watertank. Aan deze watertank werden weleens gevangenen opgehangen. In een van de subkampen zagen we ook een waterreservoir voor de brandweer dat ook wel gebruikt werd als zwembad. Gevangenen met privileges mochten daar soms in zwemmen. Soms moesten gevangenen die niet konden zwemmen er in blijven zwemmen tot ze verdronken tot vermaak van de bewakers.

   

We liepen naar het berkenbos bij Krematoria IV en V. Hier moesten de mensen uit de Hongaarse transporten soms wachten om naar de gaskamers te gaan. De gaskamers konden toen de grote toestroom van de Hongaarse Joden niet aan. De mensen kwamen na dagen in een overvolle wagon opgesloten te hebben gezeten in de betrekkelijke rust van het bos. In het Auschwitz album zie je foto's van mensen die rustig op hun lot zitten te wachten en zie je zelfs dat kinderen in dit bos spelen. Veel mensen denken dan nog dat ze een douche zullen krijgen en gedesinfecteerd zullen worden. Door ditzelfde berkenbos liepen wij nu ook naar Krematorium V, althans de resten daarvan. Het was nog goed te zien waar de verschillende ruimtes waren geweest. Daarna liepen we naar de resten van Krematorium IV. Je kon goed zien dat dit Krematorium al in een eerder stadium was ontmanteld, want hier lagen geen puinhopen van bakstenen meer. Die zijn in die tijd waarschijnlijk al opgeruimd. Naast dit Krematorium zie je de grote kuilen waarin de as werd gestort. Nu groeit er allemaal gras, maar toen moet de grond er grijs uit hebben gezien van de as en van de rook uit de verbrandingsovens. In de vijver waar we even later langs liepen werd ook as gestrooid.

 

   
  Resten van Krematorium V  
   
  Resten van Krematorium IV  

 

Achter Krematorium IV ligt Kanada II, waar we daarna overheen liepen. Hier zie je alleen nog de funderingen van de barakken en je loopt over een pad belegd met ongelijke bakstenen klinkers, waar nu gras en bloemetjes tussen groeien. Op de plek van barak 5 staat de vitrine met een deel van het bestek wat daar is gevonden. Achter Kanada II staat de Zentralsauna, die geheel gerestaureerd is. Je kunt je bijna niet voorstellen hoe het er moet zijn geweest als je de grote ontkleedruimte binnenstapt. Vanuit de ontkleedruimte loop je langs de grote ketels waar de kleding in gedesinfecteerd werd. Daarna loop je door de verschillende ruimten waar de gevangenen ook doorheen liepen. Boven de deuren staat wat voor ruimte je gaat betreden. Haarschneideraum, Untersuchungsraum etc. In de ruimte waar men in die tijd nieuwe kleren kreeg uitgereikt is nu een wand met allemaal persoonlijke foto's van gevangenen die bewaard zijn gebleven. Gewone fotoalbumkiekjes en portretten van dierbaren.

   


  Ver achter de Zentralsauna liggen de resten van Bunker II, het Witte Huisje, een van de eerste gaskamers van Auschwitz. Hier liepen wij ook naartoe. Vergeleken bij Krematoria IV en V was dit maar een heel klein gebouwtje geweest. We namen het pad naar Krematorium II en III langs vier enorme waterreservoirs. Langs dit pad ligt ook een toiletgebouw voor de bezoekers. We kwamen eerst bij het Internationale Monument. Hier staat een enorme sarcofaag met daarin asresten uit het kamp, maar ook asresten die verzameld werden in andere kampen en uit dorpen die door de SS-ers geheel verwoest waren, zoals Lidice. Toen kwamen we bij de resten van Krematorium II en III. Je kon nog goed zien hoe groot deze gebouwen waren geweest en hoe enorm groot de gaskamer moet zijn geweest. Nadat we de maquette in Museum Auschwitz hadden gezien kon ik me er een goede voorstelling van maken van hoe het gebouw er in die tijd heeft uitgezien. Door het voormalige vouwenkamp in sector BI tussen de stenen barakken door liepen we weer terug naar de poort.
Bunker II    
 

 

 
 
  Links Krematorium II, rechts Krematorium III   
     
  Het Internationale Monument   

 

     Onze reisleider had gezegd dat je vanwege instortingsgevaar geen stenen barakken meer van binnen kon bekijken. Toen ik later in de bus kwam bleek dat er toch nog barakken open waren geweest en dat andere groepsleden nog wel in de stenen barakken waren geweest. Als ik had geweten dat je nog originele barakken met daarin de stenen stapelbedden kon bezoeken had ik dat zeker gedaan, ik vind dit achteraf heel erg jammer, want het moet erg indrukwekkend zijn om zo'n barak van binnen te bekijken. Aan het einde van het pad staat links nog een houten barak. Dit is barak 30, waar dokter Clauberg gynaecologisch onderzoek deed en waar zwangere vrouwen en pasgeboren baby's vermoord werden d.m.v. een fenolinjectie. Nadat we nog even in de winkel met boeken over Auschwitz, Birkenau en de Holocaust hebben gekeken was het tijd om weer met de bus te vertrekken richting het hotel in Krakow.


   


Er zijn veel boeken geschreven over Auschwitz en Birkenau, omdat er uit deze kampen relatief gezien veel overlevenden zijn t.o.v. de andere vernietigingskampen. Ook was in dit kamp al vroeg een museum opgericht, waardoor het voor filmmaatschappijen een kamp werd waar opnames gemaakt konden worden. Ook vanuit dit kamp zijn vluchtpogingen ondernomen. Een vluchtpoging was erg riskant, want van de rond ongeveer 700 gevluchte personen slaagden er slechts zo'n 300 in hun vlucht. De overige vluchters werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Voor deze gevangenen werden soms ook willekeurige gevangenen uitgekozen die de vlucht van een medegevangene met de dood moesten te bekopen. De SS wilde hiermee angst zaaien om te vluchten, als jij vlucht, sterven er andere onschuldige mensen, was de boodschap. Er waren verschillende vluchters die probeerden informatie over de transporten en wat er verder gebeurde in Auschwitz- Birkenau het kamp uit te smokkelen. Soms was het primaire doel van de vluchtpoging het willen informeren van de buitenwereld over de verschrikkingen in het kamp. Uit het kamp gesmokkelde informatie werd via het Poolse verzet al in maart 1941 doorgespeeld aan de geallieerden.

Mala Zimetbaum en Edit Galinski wisten te ontsnappen met deportatielijsten uit het kamp, die Mala gekopieerd had tijdens haar werk als vertaalster in de Lagerleitung. Ze werden vlak bij de Slowaakse grens gearresteerd.
Pools verzetsman Witold Pelecki liet zich vrijwillig opsluiten in Auschwitz en bracht er 945 dagen door, voordat hij weer wist te ontsnappen. In de tussentijd wist hij vanaf oktober 1940 verschillende rapporten het kamp uit te smokkelen, die bij het Poolse verzet terecht kwamen. Na zijn ontsnapping eind april 1943 werden zijn rapporten via het Poolse Armia Krojawa verzetsleger bekend bij de Britse autoriteiten in Londen. De Britten weigerden hulp te verlenen met een luchtaanval en de Armia Krojawa was niet sterk genoeg voor een grondaanval, dus bleef het hier bij.

SS Korporaal Viktor Pestek wordt in het kamp verliefd op een Joods meisje uit het Theresienstadtkamp, René. Pestek, die zijn werk verschrikkelijk vindt wil weg uit het kamp, om de buitenwereld te vertellen wat er zich in het kamp afspeelt en om later René en haar moeder uit het kamp te kunnen redden. Hij benadert sterke gevangenen en vraagt hen om met hem te ontsnappen. Niemand vertrouwt de SS-er om zo'n gewaagde stap mee te ondernemen, behalve Siegfried Lederer. Ze ontsnappen samen op 5 april 1944 in SS uniformen. Zes weken later proberen Pestek en Lederer René en haar moeder het kamp uit te krijgen. Pestek wordt echter bij deze actie direct gearresteerd. Lederer weet te ontkomen. Op 8 oktober wordt Viktor Pestek op 20 jarige leeftijd als deserteur geëxecuteerd. Lederer ging bij het verzet en vocht aan de zijde van de Partizanen.

Rudolf Vrba en Alfred Wetzler

Een andere bijzondere ontsnapping was die van Alfred Wetzler en Rudolf Vrba, twee dagen na de ontsnapping van Lederer en Pestek. Rudolf kwam op 30 juni 1942, vanuit Majdanek, in Auschwitz aan. Hij kreeg kampnummer 44070. Hij deelde heel lang samen een kooi met zijn vriend Josef Erdelyi, die hij al kende van zijn leven voor Majdanek en die in dezelfde wagon zit op weg naar Auschwitz. Ze komen samen te werken op het perron, waar ze voedselpakketten uit de treinen moeten laden. Hier werken ze onder een bijzondere kapo. Deze kapo drukte een krat marmelade achterover wat hij over het hek gooide naar door de honger omkomende vrouwen. De SS-ers komen erachter en hij wordt opgesloten in blok 11 in Auschwitz I. Dit overleeft hij, omdat veel mensen hem steunen en helpen, vanwege het feit dat hij zo geliefd is. Vanaf dat moment wordt hij Franz 'Marmelade' genoemd. Na de bevrijding opent hij een hotel in Wenen, waar hij ook bekend wordt als Franz 'Marmelade'.
Rudolf Vrba en Josef Erdelyi worden in het Bunakommando geplaatst. Als ze daar geen speciaal werk hadden mogen doen voor een Franse arbeider hadden ze dit niet lang overleefd. Het werk wat zij mochten doen was veel minder zwaar dan het werk wat de andere mensen uit het kommando moesten doen. Als ze in augustus 1942 bij een selectie worden geselecteerd voor de ovens, omdat ze vlektyfus hebben, worden ze gered door een goed kapo. Vanaf dat moment verblijven ze in Auschwitz II.
Hier komen ze allebei aan het werk bij het Kanadakommando. Rudolf Vrba wordt gedwongen goederen te smokkelen tussen twee kapo's. Hier wordt hij met 47 stokslagen voor gestraft. Normaal gesproken zou dat aantal stokslagen de dood betekenen, maar medegevangenen weten hem te verzorgen, hij wordt geopereerd en overleeft een selectie in de ziekenbarak. Hij komt daarna terecht bij het kommando dat op het perron werkt als er transporten met gevangenen aankomen. Hij werkt er 8 maanden. Hier is hij er getuige van dat een transport met geestelijk gehandicapten aankomt. Bij dit transport vindt geen selectie plaats. Iedereen uit dit transport, de verzorgers incluis, gaat rechtstreeks naar de gaskamers.
Josef en Rudolf krijgen weer tyfus. Een bevriende oppasser wil hen een kaart verstrekken waarop staat dat ze niet hoeven te werken. Rudolf komt erachter dat deze oppasser niet te vertrouwen is en laat zijn naam van de lijst schrappen. Hij waarschuwt Josef, maar die gelooft het niet. Josef wordt verraden en komt om in de gaskamer. Rudolf komt de tyfus te boven doordat hij een medicijn krijgt toegediend door arts Josef Farber. Via deze arts komt Vrba bij het ondergronds verzet van het kamp. Het Kanadakommando wordt overgeplaatst naar Auschwitz II en hier treft Vrba een dorpsgenoot, Alfred Wetzler. Alfred is administrateur in een lijkenhuis. Rudolf weet dat baantje ook te bemachtigen in kamp BIId. Dit brengt privileges met zich mee.
 
    Rudolf Vrba
Hij krijgt een rijbroek en schoenen om te dragen. Zijn shirt blijft het gestreepte wit-blauwe gevangenentenue. In zijn hoofd houdt Vrba dan al gegevens over de transporten die hij binnen heeft zien komen en die nog alle dagen binnenkomen bij. Hij wil op dat moment al ontsnappen om zoveel mogelijk informatie naar buiten te brengen. Op 7 september 1943 komen de eerste Joden uit Theresienstadt in het kamp. Rudolf wordt verliefd op een meisje uit dit kamp, Alice. Het ondergrondse verzet probeert een opstand teweeg te brengen onder de mensen uit Theresienkamp, een familiekamp. Maar het mislukt. De nacht voor de vergassingen van de mensen uit het eerste transport worden ze overgeplaatst naar BIId en dan heeft Rudolf 1 nacht samen met Alice. De volgende dag op 7 maart 1943 wordt Alice samen met de andere mensen uit haar transport vergast. Dan besluit Rudolf dat het tijd wordt dat de buitenwereld door hem op de hoogte wordt gesteld. Volgens zijn telling en schatting zijn er dan 1.750.000 mensen in de gaskamers in Auschwitz vermoord. Historici vinden dat aantal nu aan de hoge kant, maar de exacte cijfers heeft niemand. Vanaf januari 1944 heeft hij een aantal keer opgevangen bij kapo's en SS-ers dat er gebouwd wordt aan een spoorlijn die ongeveer een miljoen Hongaarse Joden het kamp in zal brengen. Samen met Alfred Wetzler verstopt hij zich op 7 april 1944 in een stapel hout met een holle ruimte aan de binnenkant, die al eerder als schuilplaats is gebruikt. Twee medegevangenen helpen hen door de bovenkant af te dichten met planken. Ze hebben in benzine gedrenkte tabak bij zich, de geur daarvan moet de speurhonden op afstand houden. Ze weten dat er na elke vluchtpoging slechts drie dagen fanatiek wordt gezocht naar de vluchters en besluiten dat ze het best zo lang kunnen in hun schuilplaats kunnen wachten, voordat ze echt vluchten. Op 10 april kruipen ze uit hun schuilplaats en vluchten uit Birkenau richting Slowakije. Op 21 april steken ze de grens over en via een bevriende arts van Vrba worden ze in contact gebracht met de Joodse Raad.
    Ze schrijven allebei hun getuigenis en een gezamenlijke getuigenis. Ze herschrijven het 6 keer, want ze willen dat de juiste informatie naar buiten gebracht wordt. Wetzler schrijft het eerste deel, Vrba het derde. Het tweede deel schrijven ze gezamenlijk. Het wordt een document van 40 bladzijden en wordt de Auschwitz Protocollen genoemd. Klik hier voor een Engelse versie vertaling van de Auschwitz Protocollen. Op 27 april is het document volledig en vertaald in het Duits. Het bevat gedetailleerde informatie over de transporten sinds 1942, over het kampleven, over de kampleiding, over de ligging van bepaalde plekken in het kamp en zelfs tekeningen van hoe de gaskamers er van binnen uit zagen. Die gegevens wisten ze via het ondergrondse verzet. Het wordt ook in het Hongaars vertaald. Het gaat de mannen allemaal niet snel genoeg. Ze hebben haast, want ze willen voorkomen dat de Hongaarse Joden op transport worden gezet, maar zijn afhankelijk van de leden van de Joodse Raad. Het is niet helemaal te achterhalen waarom de berichten uit de Protocollen de Joden in Hongarije niet op tijd en op grote schaal hebben bereikt. Een belangrijke reden ervoor is in ieder geval het feit dat mensen gewoon niet konden geloven dat alles in de Protocollen waar was.
Op 17 mei worden de Protocollen gepubliceerd in Zwitserland. Pas als de Protocollen in handen komen van George Mantello, een Joodse zakenman, worden door hem de Protocollen verder verspreid. Hij laat Zwitsers-Hongaarse studenten de Protocollen meerdere malen kopiëren. Toch wordt er niet voorkomen dat de Hongaarse Joden op transport worden gezet. Dat de Hongaarse Joden nog niet eerder op transport waren gezet, lag aan het feit dat Hongarije een verbond had met het Duitse Rijk.
Alfred Wetzler      
Vrba neemt het vooral Rudolf Kastner kwalijk. Kastner, een Joods-Hongaarse journalist en advocaat zou het rapport bewust achter hebben gehouden, omdat er een deal gesloten werd met Adolf Eichmann. Er zouden een miljoen Joden gespaard blijven als het Duitse Rijk vrachtwagens en geld vanuit de US en UK kregen. Kastner zou wel een trein met 1684 Joden uit Hongarije hebben laten ontsnappen naar Zwitserland. In deze trein zaten o.a. zijn directe familie en aristocratische Joodse families, maar er zouden ook 200 kinderen, waaronder een aantal wezen in de trein hebben gezeten. Kastner is voor zijn verraad terechtgesteld en veroordeeld in 1957. Wetzler sterft op 8 februari 1988 in Bratislava, Vrba sterft op 27 maart 2006 in Vancouver aan kanker, hij getuigde nog tegen Adolf Eichmann, Robert Mulka en Ernst Zündel.

Edita Polochova

Dita Adler (Polochova) is 14 als ze in december 1944 in het familiekamp in Birkenau aankomt. Ze komt uit Theresienstadt met haar vader en moeder. Al op de eerste dag in het kamp beseft Dita dat ze goed moet letten op wat de oudgedienden doen en weet ze een plekje voor haar en haar moeder te bemachtigen in een bovenbed. Ze wordt in het geheim een soort bibliothecaresse in barak 31, waar Fredy Hirsch een schooltje heeft opgericht dat door de SS-ers gedoogd wordt. Fredy Hirsch is een atletisch gebouwde, sportieve, jonge man met veel charisma. Hij was voor zijn deportatie al veel bezig met de jeugd, als sportcoach en scouting leider. Ook stoomde hij als Zionist jongeren klaar voor emigratie naar het Beloofde Land, Palestina, waar hij zelf ook graag wilde gaan wonen. Vanuit Duitsland was hij naar Praag gevlucht, zijn moeder, broer en stiefvader waren naar Colombia verhuisd. Zijn vader was op dat moment al overleden. In Praag zorgde hij ervoor dat het Hagibor speelterrein voor de Joodse jeugd open bleef, de enige plek waar Joodse kinderen konden spelen en sporten. Op 4 december 1941 arriveert hij in Theresienstadt als lid van het Aufbaukommando. Dit kommando moet ervoor zorgen dat het leven in het Theresienstadt getto goed georganiseerd wordt. Er werden speciale tehuizen gebouwd voor kinderen die apart van hun ouders kwamen te wonen. Hij zorgde met een aantal andere begeleiders dat deze kinderen het zo goed mogelijk hadden en zag er op toe dat ze veel sportten en dat er aandacht werd besteed aan hun persoonlijke hygiëne. Aangezien hij uit Duitsland kwam en een sterke persoonlijkheid had, hadden een aantal SS-ers respect voor hem en kon hij dingen gedaan krijgen, die een ander niet gedaan kreeg. In de zomer van 1943 kwam er een transport van 1200 kinderen vanuit het getto in Bialystok naar Theresienstadt, zij werden van de andere kinderen geïsoleerd, maar Hirsch wist contact te leggen met hun begeleider. Hij werd daar echter voor gestraft en op 6 september 1943 op transport gezet naar Birkenau. Op dit transport van 5000 man zaten ongeveer 300 kinderen. Kinderen gingen meestal meteen naar de gaskamer, maar in het zigeunerkamp en het Theresienstadtkamp zaten kinderen. Fredy Hirsch wist de SS-ers te overtuigen dat er een blok gereserveerd moest worden voor deze kinderen en dat werd blok 31. Hirsch gaf zijn  baantje als lagerkapo op en werd de leider van dit kinderblok. Nadat de december transporten uit Theresienstadt in Birkenau waren aangekomen, zaten er ongeveer 500 kinderen in het kamp. Hirsch zorgde dat er een tweede blok voor deze kinderen bij kwam.
In blok 31 stonden geen stapelbedden, maar tafeltjes en stoelen waar de kinderen die er alleen overdag verbleven aan konden zitten. Op de muren stonden schilderingen van Sneeuwwitje en de 7 dwergen, eskimo's, bloemen en andere sprookjesfiguren. De kinderen kregen hier ook te eten, ze kregen extra porties met eten uit pakketjes die het kamp binnen kwamen voor mensen die al overleden waren. De kinderen hadden wel honger, maar geen enkel kind stierf aan ondervoeding. Het appèl gebeurde ook in dit blok, waardoor de kinderen niet uren per dag in de kou hoefden te staan. In het blok werden ook in het geheim lessen gegeven. De leerkrachten vertelden uit hun hoofd over de boeken die ze hadden gelezen, over geschiedenis en over topografie. Er werden ook veel spelletjes gespeeld en er werd gezongen, vooral Duitse liederen, die werden toegestaan. In de winter van '43/'44 repeteerden de kinderen een theaterstuk over Sneeuwwitje en de 7 dwergen. Bij de uitvoering waren SS-ers aanwezig, die zich erg vermaakten, een van die SS-ers was dokter Mengele, die zich erg vermaakte met de kinderen, die hem oom moesten noemen. Dita, die met het december transport in Birkenau aankwam, spreekt vloeiend Tsjechisch en Duits en kan goed lezen. ze is te oud voor het schooltje, dat is voor kinderen t/m 13 jaar, maar ze wordt in het blok aangenomen als souffleuse voor het toneelstuk, dat opgevoerd werd tijdens Chanoeka. Het is Mirjam Edelstein die haar er voor uitkiest, via een kennis van haar moeder. Mirjam Edelstein was de vrouw van Jacob Edelstein, de voorzitter van de Joodse Raad in Theresienstadt. Adolf Eichmann had hen verzekerd dat Auschwitz een goed kamp was, voordat alle Joden uit Theresienstadt op transport werden gezet. Jacob had tijdens de oorlog veel Tsjechen geholpen met ontsnappen en bij aankomst in Birkenau werd hij meteen gearresteerd en naar Auschwitz I overgebracht.  
    Edita  Polochova
In het blok waren een achttal verboden boeken aanwezig, die verstopt werden onder een paar vloerplanken. Tijdens een toneelrepetitie komt er een stel SS-ers, waaronder Mengele een inspectie houden in het blok. Dita verstopt dan snel een aantal boeken onder haar blouse. De SS  ontdekt helemaal niks in het blok. Fredy Hirsch heeft gezien wat ze heeft gedaan en vanaf dat moment stelt hij haar aan als bibliothecaresse van het blok. Dita zorgt met gevaar voor eigen leven voor de uitleen van deze boeken onder de leerkrachten in het blok. Ze was altijd al gek geweest van boeken en soms las ze zelf ook stiekem in deze boeken. De meeste van deze boeken waren geen kinderboeken, toch wisten de leerkrachten uit 'Een korte geschiedenis der wereld', 'Russische Spraakkunst', 'Elementaire Meetkunde', 'Inleiding tot de psychoanalyse' en 'De Lotgevallen van de brave soldaat Svejk' verhalen te halen voor de kinderen. Het laatste boek wordt het favoriete boek van Dita. Dita laat geheime zakken in haar blouse naaien, waar ze de boeken in kan verstoppen.
Dita verliest haar vader aan longontsteking. Haar moeder ziet het daarna helemaal niet meer zitten en wordt erg labiel. Gelukkig heeft Dita een vriendin in het kamp. Margit Barnai, die twee jaar ouder is. Ook René, die verliefd wordt op de SS-er Viktor Pestek kent ze. Ze is er van de op de hoogte dat Rudolf Vrba Fredy Hirsch vanuit het ondergrondse verzet benaderd heeft. Ze heeft Hirsch echter ook eens met een jonge SS-er gezien en weet niet of ze hem wel volledig kan vertrouwen. Ze vindt hem geweldig, maar is ook op haar hoede. Ze heeft hem namelijk met verschillende mannen gezien, waaronder die SS-er en een Oberkapo. Ze begint te vermoeden dat Hirsch homoseksueel is en Mirjam Lichtenstern bevestigt dit.
Ze heeft ook een zwak voor de leraar Morgenstern, die zich een beetje vreemd en kinds gedraagt. Ota Keller kan prachtig vertellen en heeft volgens haar een hele mooie stem. Zelf krijgt Dita drie keer per week (als het droog is) les van haar vader naast de barak. Zes maanden nadat de septembertransporten zijn aangekomen worden door SS-ers namen opgenoemd van degenen die de volgende dag zullen verhuizen. Ze ziet Morgenstern en Fredy Hirsch in deze groep het Theresienstadtkamp verlaten naar het quarantainekamp.
  Hirsch is door Rudolf Vrba benaderd om een opstand te leiden onder de mensen van het Theresienstadtkamp. Hirsch twijfelt erg, want hij weet dat bij gevechten de kinderen als eerste zullen sneuvelen en hij wil de kinderen niet in de steek laten en aan hun lot overlaten. Hirsch vraagt bedenktijd van een paar uren, maar wanneer de mensen van het verzet in zijn kamer komen om te vragen wat hij heeft besloten ligt hij dood in zijn bed. Hij heeft pillen genomen. Er zijn mensen die aannemen dat Hirsch zelfmoord heeft gepleegd, omdat hij de druk van de beslissing die hij moest nemen niet aan kon. Anderen die hem goed kenden beweerden dat hij nooit zelfmoord zou plegen. Hun verhaal is dat hij gevraagd had om kalmerende middelen, maar door de verstrekker iets sterkers had gekregen waarmee hij op die manier vermoord werd. Die nacht hoort Dita het lawaai uit het quarantainekamp. Op 8 maart 1944 worden 3792 mensen uit Theresienstadt vergast en in Crematorium III verbrand. De volgende dag dwarrelen de asvlokken over het Theresienstadtkamp. In barak 31 zegt meneer Lichtenstern, die Fredy Hirsch opvolgt als blokoudste, dat het belangrijk is dat de lessen voor de kinderen die nog leven gewoon doorgaan. Dita leest voor aan de kinderen en laat hen lachen. Ze gelooft niet dat Fredy Hirsch zelfmoord heeft gepleegd en probeert er achter te komen wat zijn beweegredenen in dat geval moesten zijn geweest. Ook beseft ze dat het familiekamp een dekmantel is geweest, zodat men het Duitse Rode Kruis heeft kunnen laten zien hoe goed de gevangenen en de kinderen het in Auschwitz hadden. In blok 31 gaat het leven gewoon door en er wordt door de kinderen Pesach gevierd. In mei 1944 komen er nog transporten aan uit Theresienstadt, Tsjechië, Oostenrijk en Nederland, er zijn weer 300 kinderen bijgekomen. Zes maanden na de aankomst van het decembertransport moeten alle mensen van het transport kaartjes sturen naar huis, ook de mensen uit het meitransport moeten dit. het familiekamp wordt opgeheven en blok 31 wordt gesloten.
Fredy Hirsch    
 Mirjam Edelstein wordt in juni 1944, samen met haar zoon, met haar man herenigd in Auschwitz I. Kort daarna worden ze allen doodgeschoten. In juli 1944, bij de ontmanteling van het kamp, vindt er een driedaagse selectie plaats, die uitgevoerd wordt door dokter Mengele. Dita wordt geselecteerd om in leven te blijven, haar moeder niet, maar als Mengele en de registrator even niet opletten, loopt haar moeder ook naar de groep waar Dita voor is geselecteerd. Ze worden afgevoerd naar Bergen-Belsen, waar ze Margit weer treft. In de laatste maanden voor de bevrijding is het leven in Bergen-Belsen verschrikkelijk, er wordt al niet meer gewerkt, alleen overleefd, volgens een gevangene die er al langer zit. Velen sterven er. Na de bevrijding kan niemand echt blij zijn. Margit vindt in die dagen haar vader weer terug en mag met de trein naar Praag vertrekken. Dita's moeder overlijdt na de bevrijding in een veldhospitaal bij Bergen-Belsen. Als Dita uit het kamp weg kan gaat ze naar Praag, waar ze op zoek gaat naar Margit. ze vindt Margit niet, maar Margit heeft wel een briefje voor haar achtergelaten. Ze woont met haar vader in Teplice. Terwijl Dita wacht op haar identiteitspapieren in de rij bij de Joodse Raad treft ze Ota Keller, de jonge leraar met de mooie stem uit blok 31. Dita gaat bij Margit en haar vader in Teplice wonen, maar Ota en zij zien elkaar regelmatig. Ota reist vaak heen en weer. In 1947 trouwen Ota en Dita en emigreren in 1949 naar Israël, waarmee ze de droom van Fredy Hirsch waarmaakten. Ze werkten daar in een kibboets en werden later leraar Engels. Ze troffen daar ook Avi Ofir, die het kinderkoor in barak 31 had geleid. Ota schreef het boek The Painted Wall, Dita's verhalen verschenen in het boek De bibliothecaresse van Auschwitz. Het boek is een op waarheid berustende roman Enkele namen, zoals de achternamen van Dita en Ota zijn in het boek anders dan in werkelijkheid. Ota was in werkelijkheid Ota Kraus. Dita en Ota Kraus werden samen oud. ze kregen twee zonen en vier kleinkinderen en een aantal achterkleinkinderen. Hun wegen scheidden zich pas weer toen Ota in 2000 overleed. Bekijk hier een hele korte getuigenis van Dita Polachova.
Lichtenstern stierf tijdens een dodenmars vanuit het kampSchwarzheide waar hij naartoe getransporteerd was. Margit bleef in Praag wonen en trouwde. Dita en Margit hielden contact. Margit stierf op 54 jarige leeftijd en Dita hield contact met haar dochter, voor wie ze als een tante was.

Dr. Joseph Mengele

    Een van de meest gevreesde SS-ers in het kamp was Dr. Joseph Mengele, kamparts. Joseph die geboren werd in 1911 en opgroeide in Günzberg, waar zijn familie tot in het eind van de vorige eeuw een bedrijf in landbouwmachines had, ging na zijn gymnasium examen medicijnen en antropologie studeren in München. In het laatste jaar kreeg hij les over rassenideologie van Ernst Rüdin, die aan de wieg stond van het euthanasieprogramma. Hij trouwde in 1939 en in maart 1944 werd hun zoon Rolf geboren, die zijn vader slechts 2 keer in zijn leven heeft gezien en zijn wandaden afkeurde. Vanaf 1 augustus 1940 werkte hij bij de Waffen-SS en was hij aan het Oostfront toen Duitsland Rusland binnenviel, waarbij hij in 1942 zwaar gewond raakte. Vanaf 30 mei 1943 werkt hij in Auschwitz, waar hij op proefpersonen experimenten uitvoert op rassenwetenschappelijk gebied. Hij bleef tot januari 1945 in Auschwitz-Birkenau en woonde in een van de artsenhuizen in de buurt van het stammlager. Zijn vrouw bleef in Günzberg wonen. Er werkten ongeveer 30 artsen in Auschwitz-Birkenau, waarvan Mengele de beruchtste was. In het begin werkte hij als Lagerarzt in het zigeunerkamp, waar hij slechts onschuldige experimenten uitvoerde. Door goed te zijn voor de zigeunerbevolking probeerde hij hun vertrouwen te winnen, zodat ze later makkelijker mee zouden werken aan zijn experimenten. Toen het zigeunerkamp werd opgeheven werd hij in augustus 1944 Lagerarzt van de ziekenafdeling van het mannenkamp.
Een belangrijke taak van de SS-artsen waren de selecties. De eerste selectie vond plaats op het perron. De mensen die aankwamen werden naar links of naar rechts gestuurd. De ene kant op betekende naar de gaskamers, de andere kant op betekende nog een paar maanden langer leven. Op het perron zocht Mengele later ook al naar tweelingen en mensen met bijzondere lichamelijke kenmerken voor zijn experimenten.
In het kamp vonden ook regelmatig selecties plaats. Wanneer het te druk werd in het kamp werden mensen geselecteerd voor de gaskamers, of voor dwangarbeid in andere kampen. Ook hier hadden de kampartsen het voor het zeggen. Volgens overlevenden stond Mengele helemaal in zijn element aria's van Wagner te fluiten terwijl hij de mensen naar links of naar rechts stuurde. Hij gedroeg zich naar gevangenen toe altijd hoffelijk, behalve wanneer ze op zijn behandeltafel lagen. Hij was altijd onberispelijk gekleed. Dit is de reden waarom zijn bijnaam 'De Engel des Doods' werd.
Mengele voerde ook selecties uit in het vrouwenkamp. Hij zocht daar naar zwangere vrouwen, die hij of naar de gaskamer stuurde, of hardhandig aborteerde, deze vrouwen mochten niet voor nageslacht zorgen.
 Mengele had de vrijheid om onderzoek te doen naar alles waar hij onderzoek naar wenste te doen, zolang de onderzoeksgegevens maar beschikbaar zouden worden voor het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn. Mengele voerde veel antropologisch onderzoek uit naar verschillende rassen. De kampartsen werden bij hun werk geholpen door gevangenen die arts zijn. De Hongaarse patholoog Miklós Nyiszli werd door Mengele geselecteerd om pathologisch onderzoek voor hem te verrichten en  om arts te worden van het Sonderkommando in de tijd dat de Theresienstadt Joden, de Roma en Sinti en de Hongaarse Joden er worden vergast. Hij had daar vele privileges. Ze hadden daar een redelijk goede slaapplaats voor de nacht, kregen goed te eten en te drinken van de goederen die de mensen in de transporten meebrachten, Niyszli mocht zijn eigen kleren en zelfs een horloge dragen en las elke dag de krant. Zijn onderzoekskamer lag in Krematorium II. Het moraal in het Sonderkommando moest goed blijven, zodat de gevangenen het zware werk wat zij moesten doen gedurende vier maanden, tot hun zekere dood, vol konden houden. Hij beschreef in zijn boek 'Assistent van Mengele', wat hij al in 1946 publiceerde, wat hij voor opdrachten kreeg. Hij beschreef hoe tweelingmoeders hun kinderen bij de selectie op het perron vrijwillig aanboden, ze wisten niet wat er met hen zou gebeuren, maar het zou altijd beter zijn dan de rechtstreekse gang naar de gaskamer dachten ze. Ook volwassen tweelingen en dwergen meldden zichzelf op het perron.
Een Joods Roemeense artiestenfamilie die op 19 mei 1944 het kamp in kwam en bestond uit onder meer 7 dwergen werd geselecteerd en Mengele voerde meerdere onderzoeken op hen uit, om te onderzoeken waar de dwerggroei vandaan komt. Van  de hele familie Ovitz is er slechts een iemand die de oorlog niet overleeft. De andere leden, inclusief de dwergen, overleefden de oorlog, zij zijn juist dankzij de onderzoeken van Mengele in leven gebleven.
   
Geselecteerde dwergen en tweelingen verbleven in barak 14 van BIIf, waar ze goed verzorgd werden, omdat ze niet mochten sterven, voordat ze ter dood gebracht werden, of aan de beurt waren voor onderzoek bij leven. Zo mochten ze hun eigen kleren houden, werden ze niet kaalgeschoren, mochten ze zich vaak en goed wassen en kregen ze goed te eten. Onderzoeken die bij leven werden gedaan waren bloedafnameonderzoeken, lumbale puncties, bloedverwisseling tussen tweelingen, beenmergtransplantaties zonder verdoving en nog vele andere vaak pijnlijke onderzoeken. Ook liet Mengele kinderen bewust besmetten met Noma, om het ziekteverloop te kunnen volgen. Soms werden de hoofden van de lijken afgehakt en geconserveerd opgestuurd naar Berlijn. Hij besmette zwangere vrouwen met tyfus om te zien of zij dat over zouden brengen op hun ongeboren baby. Van vrouwen met pasgeboren baby's liet hij de borsten met gips vastzetten, zodat ze hun kind niet konden voeden, Mengele kon zo onderzoeken hoe lang pasgeboren kinderen zonder melk konden overleven.Nyiszli moest onderzoek doen op tweelingen, de meeste eeneiig en onder de 16 jaar, die tegelijk gestorven waren door een chloroform injectie in het hart. In het dagelijks leven sterven tweelingen niet vaak tegelijk en kunnen er geen vergelijkende autopsies worden verricht. In Auschwitz gebeurde dit wel. Erfelijkheid kon op tweelingen extra goed onderzocht worden. Er werden operaties op hen verricht zonder verdoving, zo wilde Mengele de pijngrens tussen de tweelingen vergelijken. Er werd zoveel bloed afgenomen dat de tweelingen eraan stierven. Er werden medicijnen en chemicaliën bij hen ingespoten, zodat Mengele de reacties erop met elkaar kon vergelijken. Bij een tweeling werden de ruggetjes van de kinderen aan elkaar genaaid, beide kinderen stierven.
     Mengele liet ook onderzoek verrichten naar heterochromia iridis, verschillende kleuren ogen. Mensen die twee verschillende kleuren ogen hebben werden ook door hem geselecteerd. Bij een aantal kinderen injecteerde hij methylblauw in de iris, om te onderzoeken of hij de kleur van de ogen kon laten veranderen. Er zijn ook veel ogen opgestuurd naar het instituut in Berlijn. Ook moest hij Duboisabcessen onderzoeken die veroorzaakt zijn door syfilis. De tweelingen die hieraan leden hadden door medicijnen gered kunnen worden, maar moesten sterven voor onderzoeksdoeleinden. Voor dokter Wolff, die onderzoek deed naar diarree moesten 150 diarreedoden onderzocht worden. Niyszli deed er 3 op een dag. Ook moest hij een jongen met een bochel en andere lichamelijke afwijkingen en zijn vader onderzoeken. Hij wist dat ze na zijn onderzoek zullen sterven, zodat hij autopsie op hun lichamen kon uitvoeren. Ze werden door Muhsfeldt gedood door een nekschot. Mengele vroeg welke manieren er waren om het vlees van de botten te weken. Nyiszli kreeg de opdracht om de snelste methode uit te voeren en moest de lichamen koken, zodat het vlees van de botten weekte en de botten daarna ontvetten en witten in een benzinebad. Een aantal Poolse gevangenen vond het gekookte vlees en at het op, niet wetende wat voor vlees het was.
Op een dag, na drie maanden in het kamp, wanneer Mengele in een goede bui is, omdat Nyiszli hem gekristaliiseerde galstenen, die hij in een lijk had gevonden had overhandigd, wetende dat Mengele die spaarde, vroeg hij Mengele of zijn vrouw en kind nog in leven zouden kunnen zijn. Hij mocht van Mengele zonder begeleiding op zoek gaan in kamp BIIc en kamp III, waar de Hongaarse Joodse vrouwen zaten. Hij vond hen. Toen hij hoorde dat het vrouwenkamp geliquideerd zou worden en de bewoners ervan naar de gaskamers zouden worden gestuurd regelde hij met een Obersturmführer die hij goed kende dat zijn vrouw en dochtertje op een transport naar een van de oorlogsfabrieken in Duitsland zouden worden gezet. Ze belandden uiteindelijk in Bergen-Belsen en wisten daar te overleven. Miklós zelf overleefde in het Sonderkommando tot ook hij op transport werd gezet. Hij was al thuis in Roemenië toen zijn vrouw en dochter terugkwamen. Hij bleef ook na de oorlog als arts werken en getuigde in het Neurenberg proces tegen IG-Farben. Hij stierf in 1956 aan een hartaanval.
In december 1944 werd Mengele overgeplaatst naar Gross-Rosen en vanuit Gross-Rosen in februari 1945 naar Reichenau. In een uniform van de Wehrmacht kwam hij in een veldhospitaal in Saaz (Tsjechië). Een verpleegster hielp hem de verslagen van de experimenten te verduisteren, zodat hij die niet in zijn bezit had toen de hele eenheid gevangenen werd genomen door de Amerikanen. Leden van de Waffen-SS hadden aan de binnenzijde van hun linker bovenarm hun bloedgroep moeten laten tatoeëren, maar Mengele had dit geweigerd. Mede hierdoor en doordat hij een valse naam gebruikte, Memling, wisten de Amerikanen niet achter zijn ware identiteit te komen. De naam Mengele stond toen al op de lijst van gezochte SS-ers, maar omdat ze niet wisten dat Memling in werkelijkheid Mengele was, werd hij na zes weken gevangenschap vrij gelaten. Hij dook een paar weken onder in een boerderij in Beieren en verbleef een aantal weken in de bossen bij Günzberg, zijn geboorteplaats, alvorens hij naar Argentinië vluchtte. Daar bouwde hij een goed bestaan op. Zijn familie bleef hem vanuit Duitsland steunen. Wel scheidde hij in 1954 van zijn vrouw. In februari 1959 vaardigde West-Duitsland een arrestatie tegen hem uit. In 1960 vroeg Duitsland aan Argentinië om uitlevering van Mengele, maar hij was toen al naar Paraguay gevlucht en kreeg daar onder de naam José Mengele in november 1959 de Paraguayaanse nationaliteit, waardoor hij niet meer aan West-Duitsland konden worden uitgeleverd. In oktober 1960 reisde hij op een vals paspoort met de naam van een kennis, Peter Hochbichler naar Brazilië, waar hij tot 1975 bij de Hongaarse familie Stammer op de boerderij woonde. In 1975 verhuisde hij naar een klein, vervallen huis in Eldorado, een arme voorstad van São Paulo. Mengele leed aan depressies en stemmingswisselingen en werd in 1979 door de bevriende familie Bossert uitgenodigd in hun strandhuis aan Bertioga Beach. Mengele overleed op 5 februari 1979 aan een beroerte die hem trof tijdens het zwemmen in zee.  
Reanimatie mocht niet meer baten. Hij werd begraven in een graf met de naam Wolfgang Gerhard. Zijn familie hield zijn dood stil. Pas in 1985 kwam men erachter dat Mengele dood was en begraven. Zijn graf werd opengemaakt en uit forensisch onderzoek concludeert men dat het daadwerkelijk om Mengele gaat. Er zijn mensen die dat niet vertrouwen, waaronder de nazi-jager Simon Wiesenthal, maar in 1992 wordt door DNA onderzoek onomstotelijk bewezen dat de man in het graf daadwerkelijk Joseph Mengele was.
Aan de onderzoeksverslagen heeft men voor de wetenschap weinig gehad, er was geen bewijs dat de tweelingen ook daadwerkelijk tweelingen waren, er waren misschien ook broers of zussen bij die als twee druppels water op elkaar leken. Ook is het niet zeker dat de gevangenen die als assistenten waren aangesteld objectief en eerlijk de onderzoeksresultaten hebben ingevuld. Al deze experimenten zijn dus voor niks uitgevoerd en al deze onschuldige mensen hebben deze wreedheden voor niks ondergaan, maar dat was in Auschwitz geen uitzondering!

Terug in Krakow hebben we nog even genoten van het mooie oude stadscentrum. Het was mooi weer en er waren heel veel toeristen in de stad. Er was live muziek, de koetsjes reden rond en de de terrassen zaten vol. Nadat wij op een van die terrassen een heerlijke maaltijd hadden genuttigd waren we getuige van een prachtige zonsondergang, die de gebouwen in een prachtige oranje gloed zette. Wat een geluksvogel ben ik dat ik in vrijheid mag leven en kan en mag genieten van zulke bijzondere momenten in het leven.

Deze reis zal me nog lang bij blijven. Was het zwaar? Ja en nee. Ik heb me altijd al geïnteresseerd in WOII. En er veel over gelezen. Ik ging toen ik nog studeerde naar Mauthausen, nog jonger al naar Bergen-Belsen (al kan ik me daar niet zo heel veel meer van herinneren) en bezocht in Nederland zowel Westerbork als kamp Vught. Ik las veel over WOII en zeker de maanden voor mijn reis naar Polen heb ik veel gelezen. Op het moment dat ik dus naar Polen vertrok wist ik dus wat voor verschrikkingen zich in de kampen hadden afgespeeld. Ik werd tijdens de reis dus niet meer verrast door de verschrikkelijke verhalen. Ook de meeste foto's die ik in museum Auschwitz zag, had ik al eens op internet gezien. Hierdoor had ik tijdens de reis maar slechts enkele momenten waarop de emotie me overviel, zoals bij het zien van de sleutels in Belzec. Het waren vooral de persoonlijke verhalen, uit de vele boeken die ik las, die me raakten en de reis heeft ervoor gezorgd dat ik een beeld heb van de plaats waar die verhalen zich afspeelden, al kan ik me, ondanks dat ik nu op al die plaatsen ben geweest, nog maar nauwelijks voorstellen hoe het er ten tijde van WOII moet zijn geweest.

Het verhaal van Hans en Rob Beckman

   
  Hans Beckman Dankwoord van Hans en voorwoord van Prins Bernard Rob Beckman  
         
Een van de bijzonderste verhalen die ik heb gelezen is het verhaal van Hans en Rob Beckman. Dit verhaal was er indirect de aanleiding voor om juist nu naar Auschwitz af te reizen. Van dit bijzondere verhaal van heldenmoed en overlevingskracht wil ik je graag deelgenoot maken.
Rob Beckman heeft mij in 1995 rondgeleid door Mauthausen. Ik zat op de PABO en de stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945 had voor 5 studenten en 1 leerkracht een plek op hun reis naar Mauthausen. Ik was een van die studenten. Het doel van deze mensen was hun verhalen overbrengen op mensen die het na hun dood aan de nieuwe generaties zullen moeten overbrengen, o.a. dus studenten van PABO's. Rob en zijn vrouw waren op deze reis mee om hun verhalen te vertellen en op de dag dat we het bezoek aan het kamp brachten zat ik bij Rob in het groepje en leidde hij ons rond door kamp Mauthausen. Zijn zoon was ook mee op de reis en hij was het die in het najaar van 2016 via deze website contact met me opnam. Hij had mijn verhaal over Mauthausen op mijn website gezien en was op een van de foto's zijn vader tegengekomen.
Ik wist me te herinneren dat Rob nooit in Mauthausen was aangekomen, maar tijdens de treinreis er naartoe ontsnapt was. Pas nu hoorde ik de rest van het verhaal. Rob zat samen met zijn broer bijna 3,5 jaar gevangen, waarvan ruim 2 jaar in Auschwitz. Hans Beckman schreef het verhaal op en in 1993 werd het manuscript in beperkte oplage uitgegeven en geschonken aan het Provinciaal Militair Commando van Zuid-Holland, onder de naam Odyssee 1940-1945, met een voorwoord van Prins Bernhard. Het is jammer dat het nooit in boekvorm is uitgebracht, want het is te bijzonder om te laten liggen. Daarom zal ik hier een beknopte versie van het verhaal geven.

  Hans (28-12-1919) is de oudste van een gezin met vijf kinderen. Onder hem komen Pim, die invalide is door de gevolgen van kinderverlamming, Tineke, Rob (16-10-1923) en Jan. Hun vader, Karel, is een gepensioneerd K.N.I.L. officier. Aan het begin van de oorlog meldt hij zich aan om weer in dienst te treden, maar Nederland capituleert zo snel, dat het niet meer nodig is. Hans en zijn vader gaan direct bij het verzet. Het verzet is in die tijd nog niet goed georganiseerd en er wordt nog teveel gepraat.
Op 24 augustus 1940 vallen er midden in de nacht een aantal kleine bommen van een Duits toestel, dat geen hoogte kan vinden bij het opstijgen uit Soesterberg, in hun tuin in Zeist. Een scherf slaat door de houten wand van het huis, door de afvoerpijp van de wastafel, door het bed en matras van Tineke in haar hoofd. Ze is pas 18 als ze sterft.
Op 12 december 1940 komt de Gestapo het hele huis doorzoeken, waar kort daarvoor nog wapens te vinden waren in de schoorsteen en neemt Karel, als lid van de 'Oranjewacht', mee voor verhoor. Binnen 14 dagen is de hele top van deze Oranjewacht gevangen genomen. Karel wordt overgebracht naar het Oranjehotel. Een tijdje houdt Hans zich koest, omdat hij zijn vader niet in gevaar wil brengen, maar gaat dan toch weer in het verzet. Hij zamelt met een groep geld in voor achterblijvende gezinnen van gevangen genomen verzetsmensen.
Vader en zusje Tineke    
Hans weet dat hij Nederland wil ontvluchten en voor het Nederlandse leger wil gaan vechten, of voor de K.N.I.L., hij is al K.N.I.L. cadet. Hij is bang dat hij te werk gesteld zal worden in Duitsland. In eerste instantie wil hij met een bootje naar Engeland, maar uiteindelijk gaat hij het proberen via de weg. Een oude vriend van hem woont op de grens tussen het bezette Frankrijk en het niet-bezette Frankrijk. Een bezoek aan die vriend om daar werk te vinden in de agrarische sector is zijn dekmantel. Zijn moeder vindt het goed dat hij gaat, maar dan moet hij wel zijn broer Rob meenemen, die inmiddels ook al actief is in het verzet en kans loopt gevangen genomen te worden. Hans ziet die verantwoordelijkheid in eerste instantie helemaal niet zitten, maar beseft ook dat het best fijn is om gezelschap te hebben op reis. Ze stellen een plan op en bedenken waar ze zullen overnachten. Ze hebben kennissen in St. Quentin, Antwerpen en Parijs en ze kennen iemand die hen de grens tussen Nederland en België over wil helpen. Ook kennen ze iemand die Duitse Marken voor hen regelt om mee te nemen. Als Hans voor de laatste keer bij zijn vader op visite gaat durft hij zijn vader, die vlak voor zijn proces staat, niet van zijn plan te vertellen. In stilte neemt hij afscheid van zijn vader, niet wetende dat het een afscheid voorgoed zal zijn. Karel wordt via kamp Amersfoort afgevoerd naar kamp Sachsenhausen in Duitsland, waar hij op 20 november 1944 sterft. Ze laten een afscheidsbrief achter voor hun moeder waarin zij schrijven dat ze op zoek gaan naar werk. Deze brief moet hun moeder vrijpleiten van medeplichtigheid, als de jongens gevangen zouden worden genomen.  
    Vader en moeder Beckman
  Op 30 oktober 1941, Rob is dan net 18, Hans bijna vier jaar ouder, vertrekken ze. De Duitse Marken blijken in België en Frankrijk niets waard en met veel verlies weten ze het geld te wisselen. In Maubeuge op het station dineren ze met een Duitse soldaat die ze op het station treffen en die geen Frans geld heeft, maar wel voedselbonnen. Hans en Rob hebben het Franse geld, een goede deal en een prima dekmantel. Als ze in Parcey bij de familie Maire aankomen, wordt hen verteld dat de rivier oversteken naar het onbezette Frankrijk geen optie is. Er zijn overal wachtposten en de Franse politie aan de overkant staat aan de kant van de Duitsers. Het is beter om vanuit bezet Frankrijk de grens met Zwitserland over te steken. De familie heeft een kennis, Jean, die hen in contact kan brengen met een 'passeur'. Wanneer ze gepakt zullen worden zullen ze zeggen dat ze Jean om een baan gaan vragen, omdat meer dan de helft van het land van de Maires op onbezet grondgebied ligt en ze daar dus niet kunnen gaan werken.
Via Saint Hippolyte, waar Jean woont, gaan ze naar Vaufrey, dat op de grens ligt, waar ze de 'passeur' zullen ontmoeten. Ze lopen echter tegen een wachtpost aan. De Duitsers daar zeggen dat ze een Sonderausweis nodig hebben om naar Vaufrey te kunnen gaan. Ze zeggen dat ze dan wel zo'n Sonderausweis zullen gaan halen bij de Kommandantur. de wachtposten zeggen dat zij ook zo'n Sonderausweis kunnen uitschrijven. Ze bekijken hun papieren en het Sonderausweis voor Hans is al geschreven wanneer een van de douanebeambten 50 Marken vindt in het persoonsbewijs van Rob. Marken die daar aan het begin van hun reis per ongeluk in terecht zijn gekomen. Marken die hen in de problemen brengen. 50 Marken is in die tijd zoveel geld, dat ze er van beschuldigd worden geldsmokkelaars te zijn. Het is 6 november 1941 en hun vlucht is mislukt. Ze worden teruggebracht naar Saint Hippolyte, waar de Geheime Feld Polizei hen meteen door heeft en hen ontvangt met de woorden: "Na, du woltest mal Willemienchen besuchen wass?" Er volgt een verhoor van een paar uren, maar de mannen blijven vasthouden aan hun verhaal, dat ze werk wilden zoeken op het land. Die avond worden ze naar de gevangenis Mont-Béliard gebracht, waar ze samen met nog een Franse gevangene de enige drie gevangenen zijn. Het stinkt er en het is er koud, maar het eten wat ze er de volgende dag krijgen is zo erg nog niet. Op de tweede dag worden ze alweer opgehaald en naar een kazerne in Belfort gebracht. Hier worden ze gescheiden van elkaar gevangen gezet. Via briefjes in een scheerkwast die de broers delen weten ze elkaar af en toe op de hoogte te houden. Ook zien ze elkaar af en toe in de kelder, waar ze kachelhout kunnen halen. Ze blijven ook hier tijdens de verhoren bij hun verhaal. Als de commandant op 24 november vertrekt, biedt hij Rob en Hans aan weer samen in een cel te slapen. Ze bedenken zich geen moment. De nieuwe commandant brengt af en toe eten voor hen mee. Dit eten is afkomstig van het Franse Rode Kruis. De Franse medegevangenen krijgen pakjes van huis, maar Hans en Rob mogen niet schrijven. Gelukkig krijgen zij van het Rode Kruis dus pakketjes.  

Jean, de kennis van de familie Maire, beweert echter de jongens niet te kennen. Later beweert hij hen wel te kennen, maar verraad dat ze hem hebben gevraagd in contact te brengen met een 'passeur'. Zowel Hans als Rob verklaren afzonderlijk dat hij het dan verkeerd begrepen moest hebben, dat ze gevraagd hadden om contacten met een boer om voor te werken, dat ze misschien verkeerd begrepen zijn, omdat hun Frans niet zo goed is. Ze hebben het in deze gevangenis niet zo slecht. Ze hebben licht en een kachel op hun kamer. Ze hebben een goede band met de Duitse soldaten, die het erg koud hebben op de gangen en die bij hen in de kamer komen zitten om warm te worden, omdat zij de enige gevangenen zijn die Duits spreken. Twee keer hebben ze zelfs de gelegenheid om door de laksheid en het goed vertrouwen van deze soldaten door de open deur van hun kamer te ontsnappen, maar een vlucht in een voor hen onbekende omgeving zou te riskant zijn en dus blijven ze maar in hun cel.
Ze worden weer opgehaald voor verhoor en worden onder druk gezet om te bekennen. Als ze bekennen dat ze wilden vluchten zullen ze na drie maanden op vrije voeten komen, maar wanneer ze dat niet doen volgt er een onderzoek en zullen ze nog minstens een jaar tot 18 maanden gevangen zitten. Rob voelt er voor om te bekennen, maar Hans voelt nattigheid en gebiedt hem zijn mond te houden. Beiden zwijgen ze en houden vast aan hun verhaal dat ze werk zochten.
Als de commandant met kerstverlof gaat, komt er weer een nieuwe commandant en ook andere wachtposten. Zij ontdekken dat Rob en Hans met briefjes die ze in de kelder voor elkaar achterlaten communiceren en straffen hun hardhandig. De oude wachtposten hebben medelijden en proberen hun leed wat te verzachten. Rob en Hans zijn goed op elkaar ingespeeld en zonder het met elkaar te hebben afgesproken vinden ze een nieuwe plek om briefjes voor elkaar achter te laten.

  Op 7 januari 1942 worden Hans en Rob overgebracht naar de gevangenis van Besançon, waar eerst geen plaats voor hen is in de Duitse vleugel en ze eerst een paar uren in een lege lijkenkelder worden opgesloten. Daarna gaan ze naar een cel, waar ze weer samen mogen verblijven. De cel is klein en het eten in de gevangenis is slecht. Waterige soep en droge korsten brood en af en toe wat biscuitjes en kaas via het Rode Kruis. De ruiten zijn kapot en met soms -30 graden is dat wel erg koud, maar zo kunnen ze wel aan heen en weer slingerende touwtjes spullen doorgeven van cel naar cel. Daar waar de verwarmingsbuis door de muur gaat is een gat ontstaan en dat gat is gauw groter gemaakt. Via dit gat kunnen Hans en Rob communiceren met de mannen in de cel naast hun. Een Fransman en een Nederlander, Leen van Leeuwen met wie Hans op de H.B.S. heeft gezeten. Leen hoort bij een groep van vier mannen die ook naar Engeland probeerden te komen. Ook Co van Assenbergh hoort bij dit groepje. Hans kent Co nog van de Koninklijke Militaire Academie. Naast Co en Leen behoren Guus Joekes en Wil Olland tot dit groepje.
Deze vier mannen hebben ook te horen gekregen dat ze na drie maanden weer thuis zullen zijn als ze zouden bekennen en hebben bekend. Rob wil ook bekennen en Hans besluit dat ze dat zullen doen wanneer de anderen inderdaad worden vrijgelaten. Op zondag mogen Hans en Rob brieven schrijven aan het Franse Rode Kruis en via deze mensen konden ze hun moeder laten weten dat zij in een cel in Frankrijk zaten.

Ze krijgen een baantje als 'Kalfaktor' (corvee, eten ronddelen, vloeren schoonmaken) aangeboden, omdat de Duitsers een grotere hekel hebben aan Fransen dan aan Nederlanders. Ze verhuizen naar een grotere cel, die alleen 's nachts op slot gaat. Bij het ronddelen van het eten blijkt er nog een Nederlander in de gevangenis te zitten, Paul Dormans. Paul mag niet luchten, maar via briefjes lukt het hen toch contact met hem te leggen. Hij wilde ook in Frankrijk gaan 'werken' en heeft tot dan toe ook niet bekend. Bij het ronddelen van het eten blijft er regelmatig eten over en dat verdelen Hans en Rob onder de Nederlandse vrienden en de Fransen van wie ze weten dat die geen pakketjes krijgen. Op 17 januari waren de papieren van de G.F.P. in Mont Béliard binnen en worden Hans en Rob van hun baantje ontheven en in aparte cellen gezet, omdat ze hebben gelogen. Vanaf dan zitten ze net als Paul Dormans in 'Einzelhaft' en mogen ze niet luchten en mag slechts driemaal per dag het luikje even open. Op 30 januari komen er twee Nederlandse officieren, ook Engelandvaarders, Stam en Ravelli, aan in de gevangenis.
Op 11 februari krijgt Rob eindelijk een brief van hun moeder. Ze schrijft dat ook de ouders van het groepje van vier op de hoogte zijn van hun verblijf in de gevangenis. Paul Dormans zijn ouders zijn al gestorven. Het is ook de dag dat het groepje van vier met hun bagage zal vertrekken. Op vrijdag 13 februari krijgt ook Hans een brief van thuis. Vrijdag de 13e bracht hem geluk. Op die dag komen er ook twee nieuwe Nederlanders, die ook naar Engeland wilden vluchten, in Besançon. Geert van Rijckevorssel van Kessel en Hans Clerkx.
Een week later leest Hans in de 'Petit Comtois', een krantje wat hij af en toe van het Rode Kruis krijgt een overlijdensadvertentie. Hun vier vrienden zijn ter dood veroordeeld vanwege 'Feindbegünstigung', oftewel heulen met de vijand en het vonnis is op 17 februari in Dijon voltrokken en ondanks dat zij niet hebben bekend ziet Hans het voor hem en Rob niet meer zitten bij het lezen van dit nieuws. Hans en Rob waarschuwen de andere Nederlanders, dat ze vooral niet moeten bekennen. 
Ook in maart komen er weer nieuwe Nederlanders in Besançon. Deze groep heeft al bekend. Hier zit o.a. Charles Pahud bij, een oud-klasgenoot van Rob. De gevangenis begint aardig vol te raken met Nederlanders en onderling is er veel contact, het oproepsignaal voor deze contacten was het fluiten van het lied 'Oranje boven'.
Op 16 maart moeten Hans en Rob naar de kapper, omdat ze op 17 maart voor het Kriegsgericht moeten verschijnen. Ook de groepen van Charles Pahud en Dennis Luyt moeten er eerder die dag naartoe, ze werden ter dood veroordeeld. Hans en Rob worden nu aangeklaagd wegens 'unerlaubter Grenzubertritt', dus niet meer van 'Feindbegünstigung'. Ze hebben echter de brief gevonden die Hans en Rob achter hebben gelaten om hun moeder vrij te kunnen pleiten en in deze brief staat dat ze zich in Engeland of Indië 'nuttig' willen maken, maar in plaats van dat hun nu wel 'Feindbegünstigung' ten laste wordt gelegd, legt de president van de rechtbank hen woorden in de mond. Hij vraagt of ze dat misschien niet hebben geschreven om hun moeder het spoor bijster te doen raken. Ze bevestigen dat en de president zegt dat hij dat zeer geloofwaardig vindt. Hij vraagt hoe lang ze al gevangen zitten. Al vier en een halve maand. De president veroordeelt hen tot vier maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd die ze al hebben gezeten. Hij zal de papieren in orde maken, zodat ze de dag erna vrij gelaten kunnen worden. Deze president, Dr. Schmidt, vertrouwt Hans later nog toe, dat hij hoopte dat wanneer zijn zonen in een soortgelijke situatie terecht zouden komen, ze op een zelfde manier zouden handelen. Deze Duitser redde hiermee Hans en Rob het leven.
De vijf Nederlanders uit de groepjes van Pahud en Luyt worden de volgende dag gefusilleerd. Dr. Schmidt had hen ook geprobeerd te redden, maar ze hadden geantwoord dat ze het een eer vonden om voor het Vaderland te sterven, zich er waarschijnlijk niet van bewust wat de president trachtte te doen.
Op 24 maart zijn ze nog steeds niet vrijgelaten. Ondertussen hebben ze op de muren geschreven dat bekennen tot de doodstraf zou leiden, met daaronder de namen van de gefusilleerden. Na de oorlog hoort Hans dat majoor Kay Gramberg van die boodschap geprofiteerd heeft.
 
    Hans Beckman
Pas op 6 april moeten Hans en Rob hun spullen pakken om op transport te gaan naar  een 'Ruckführingslager' in Compiègne, vanwaar ze op transport terug zullen worden gezet naar Nederland. Ook in deze voormalige kazerne krijgen de Nederlanders extra eten via het Rode Kruis, ook kregen ze hier pakjes van thuis.
Op 2 juli 1942 worden ze opgeroepen voor transport. Op dit transport zullen 1000 niet-Joodse gevangenen zitten en 250 Joodse gevangenen. Alle gevangenen krijgen een halfrond brood mee en een camembert-kaasje. Ze worden met 100 man tegelijk in een veewagon geladen. In de wagon ontstond een roulatiesysteem, zodat men om de beurt lucht kon happen bij het ventilatierooster, kon zitten of kon liggen. De behoefte op de ton werd gedaan op een laagje ingezameld papier, zodat het als een pakketje uit de trein kon worden gesmeten en urineren gebeurde in verzamelde blikjes en ook de urine werd uit de wagon gesmeten. De kaasjes werden niet aangeraakt en het brood werd pas na lang kauwen doorgeslikt, omdat er niets te drinken in de wagon aanwezig was. Mede door deze discipline hebben, volgens Hans, alle 100 gevangenen in de wagon de treinreis overleefd. Op de stations, waar de trein soms uren stilstond, stond het Rode Kruis klaar met water, maar de bewakingstroepen voorkwamen dat het water in de wagons terecht kwam.
  Na vier dagen komt de trein op 6 juli in Polen aan. Door gevangenen in blauwwit gestreepte pakken worden ze uit de trein gehaald. Ze moeten hun bagage op het perron achtergelaten. Rob krijgt een klap met een knuppel. Hans helpt hem overeind. Ze moeten zich in rijen van vijf opstellen, Hans vertaalt de Duitse bevelen voor de Franse medegevangenen. Enige tijd later lopen ze door de toegangspoort  en onder de woorden Arbeit Macht Frei door. Net binnen de poort zit een orkest prettige marsmuziek te spelen. Even later moeten ze zich helemaal uitkleden en worden ze door gevangenen met een botte tondeuse van al hun lichaamsbeharing voldaan. SS-ers en kapo's begeleiden dit met slaan, schoppen en schreeuwen. Hierna moeten ze in een blok douchen en worden ze daarna in een bak met desinfecterende vloeistof  gegooid, vloeistof die enorm prikt op de net onthaarde plekken. Daarna krijgen ze de blauwwitte kampkleding aangereikt. Ze krijgen op een papiertje een nummer uitgereikt, wat ze in het Duits en Pools uit hun hoofd moeten leren. Hans wordt geregistreerd onder het nummer BV F 45218 K.L. Auschwitz en Rob onder BV F 45219 K.L. Auschwitz. BV staat voor Berufsverbrecher, F voor Frankrijk en K.L. voor Konzentrationslager.
Er wordt gevraagd wie Duits spreekt en Hans en Rob melden zich. Vanaf dan werken ze als tolk bij de Aufnahme Abteilung, een onderdeel van de Politische Abteilung, maar eerst moeten ze nog langs de fotograaf voor foto's voor in het misdadigers album. 
In het kamp weet niemand dat hun transport een transport was van politieke gevangenen. Er zijn geen papieren meegekomen met het transport, alleen een namenlijst. Tot dan toe zijn er alleen maar Russen, Joden en criminelen in het kamp binnengekomen.

Hun werk bestaat, 16 uren per dag, uit het afnemen van vragen bij de gevangenen die het kamp binnenkwamen en het invullen van de 'Frageboge' met daarop naam, geboortedatum en geboorteplaats, woonplaats, beroep en eventuele veroordelingen. Het grote voordeel is dat ze in het blok van de Aufnameabteilung mogen slapen. Blok 24, het mooiste blok van het kamp, met opgemaakte bedden en veel Polen, die pakketjes van thuis kregen en Hans en Rob soms wat extra eten toestopten. Zonder dit extra eten zouden ze niet lang in leven zijn gebleven. Een van hun beste vrienden in het kamp is de Pool Tadeusz 'Tadek' Szymanski, die na de oorlog in een van de gebouwen van het Stammlager ging wonen en medeverantwoordelijk was voor het ontstaan van het Muzeum Auschwitz. Hij werkte tot zijn pensioen in 1977 voor het museum. Hij vond het belangrijk om zijn verhaal over te brengen op de jeugd en om mee te werken aan het verbeteren van de Pools-Duitse verstandhouding. Hij had de leiding over de afdeling die museumstukken verzamelde.
De dag na aankomst worden de gekregen nummers op de armen van de gevangenen getatoeëerd. Er wordt door iemand gesuggereerd dat Nederlanders zo verwant zijn aan Duitsers dat zij misschien niet getatoeëerd hoeven te worden. Kommandoführer Stark neemt dit over. Hans en Rob willen echter geen Sonderbehandlung en willen solidair zijn met hun Poolse en Franse vrienden. De gevangene die de tatoeage moet zetten waardeert dit zo, dat hij extra zijn best doet op de tatoeage, zodat Hans en Rob de mooiste tatoeages van het kamp hebben. Nederlanders die na Hans en Rob in het kamp kwamen hebben daarna nooit een keus gehad.
Hans en Rob leren snel. Ze leren over de kamphiërarchie, over overleven, over het kamp Auschwitz en de subkampen. Ze horen dat er binnenkort veel transporten worden verwacht vanuit heel Europa, die naar het kamp Birkenau zullen gaan, dat in aanbouw is en gebouwd wordt door gevangenen. De hele Aufnahme Abteilung moet op een dag naar Birkenau om daar gevangenen in te schrijven die rechtstreeks, dus niet via het Stammlager, naar Birkenau zijn gegaan.
Pas drie weken na aankomst van hun transport wordt bekend dat hun transport een NN-transport was (Nacht und Nebel). Nacht und Nebel gevangenen waren gevangenen die niet officieel ter dood veroordeeld waren, maar die men toch van de aardbodem wilde laten verdwijnen, zoals bij Nacht und Nebel. De moeder van Hans en Rob krijgt omstreeks die tijd te horen dat ze geëxecuteerd zijn. Van de 1170 gevangenen in het transport zijn er na die drie weken nog maar 300 mannen in leven. Deze mannen wisten wat hard werken was en de Duitsers vonden dat zij nog wel nuttig konden zijn bij de opbouw van Birkenau. Dus vertrokken ze daar naartoe. Kommandoführer Hans Stark bracht Hans en Rob persoonlijk, zei tegen hen dat hij verwachtte dat ze binnen twee weken weer terug zouden zijn in het Stammlager en zei tegen de Lagerältester van Birkenau dat hij hen levend en wel weer terug wilde zien bij zijn Kommando.
Hans en Rob komen in een van de houten barakken. Deze nieuwe houten barakken zijn veel schoner dan de stenen gebouwtjes die ingericht waren als barakken. Deze stenen gebouwtjes waren waarschijnlijk de paardenstallen van de voormalige kazerne die nu het Stammlager was. Hans krijgt er zijn eerste pak slaag, omdat hij in het sanitaire blok geheel onwetend op de verkeerde plek urineert. Rob krijgt ook een pak slaag. Hans en Rob worden Vorarbeiter bij het werk in Birkenau en krijgen een stok. De SS-ers vinden dat Rob zijn stok niet veelvuldig genoeg gebruikt om de gevangenen onder hem aan te sporen. Vanaf dan slaan ze allebei tegen de wanden van de kuilen en roepen vaak 'Schnell, Schnell, Bewegung, Bewegung'.
Na ongeveer twee weken mogen Hans en Rob inderdaad weer terug naar de Aufnahme Abteilung in Auschwitz I. Er komen steeds meer transporten binnen en ze moeten vaak de nacht doorwerken. Bij Joden hoeven de voornamen niet meer gevraagd te worden. Voor alle Joodse mannen moeten ze Israël opschrijven, voor alle Joodse vrouwen Sara. Dit was vooral om de Joden te vernederen.
Hans en Rob hebben veel vrienden in het kamp, als ze wat extra eten hadden, deelden ze dat soms met hun Joodse en niet-Joodse medegevangenen uit hun groepje. Het helpen van Joodse gevangenen werd niet door alle medegevangenen gewaardeerd, dus daar moeten ze voorzichtig mee zijn. Van anderen krijgen zij soms ook spullen die door hen 'georganiseerd' zijn. Het ene Kommando wordt vaker gecontroleerd dan het andere. Zo werden de gevangenen die in de SS-kantine werkten vaak gecontroleerd, maar de stratenmaker die keer op keer de straat naast de kantine openbrak en weer opnieuw legde kon door het open raam zo het eten uit de kantine meesmokkelen naar het kamp. Het Strassenbaukommando werd bijna nooit gecontroleerd.
Op 16 augustus 1942 worden alle vrouwen uit het vrouwenkamp van het Stammlager overgebracht naar Birkenau afdeling B1a. Vlak daarna breekt er een tyfusepidemie uit in het Stammlager, 746 mensen worden vergast. De blokken worden uitgegast. De mannen moeten tijdelijk in de voormalige blokken van het vrouwenkamp verblijven. Blok 24 wordt niet meteen uitgegast en Hans moet samen met een ander documenten uit het blok halen. Wanneer hij het blok binnenstapt  voelt hij zijn benen warm worden. Zijn benen zitten vol met vlooien, alsof hij bruine beenkappen draagt.
Als Rob jarig is op 16 oktober vieren ze dat in de kantine voor prominente gevangenen. Een houten barak naast blok 21. Een vriend heeft er de sleutel van. Later verhuisde de kantine naar blok 25 en werd de barak de Wäscherei.
Hans redt Jan Hartog het leven door hem slechts in te schrijven als Politieke gevangene. Hij 'vergeet' er bij te schrijven dat Jan een Joodse Politieke gevangene is. Jan helpt later op zijn beurt Hans weer te overleven als hij in de Krankenbau komt, waar Jan dan een baantje als verpleger heeft.
Vlak na Robs verjaardag komt Hans in blok 19 van de Krankenbau terecht. Hier waren nauwelijks medicijnen. Toch moest je ervoor zorgen dat je er voor er drie weken verstreken waren weer uit was. Selecties waren er om de 2 à 3 weken en wie er bij een tweede selectie nog erg ziek bij lag werd die avond door een vrachtwagen afgevoerd naar de gaskamer. Hans heeft veel vrienden die in de Krankenbau werken en die redden hem meermaals het leven, door wanneer hij te lang in de Krankenbau ligt hem in het ene blok uit te schrijven en hem in een ander blok in te schrijven. Hans heeft pleuritis (vocht in de linker long). Normaal werd het vocht afgetapt, maar Hans ziet dat niet zitten, hij ziet anderen met dezelfde kwaal, die erg ziek zijn en ontstekingen hebben. Via vrienden worden er medicijnen 'georganiseerd', die ook niet zonder risico kunnen worden ingespoten, maar hij overleeft het en eind december is hij weer terug op de Politische Abteilung.
Rond de jaarwisseling van 1942/1943 moeten Hans en Rob vaak naar Birkenau om mensen uit de transporten in te schrijven. Hier ziet Hans hoe een man vlak voor zijn ogen letterlijk kapot wordt geschopt en geslagen, omdat hij een fotootje van zijn vrouw probeerde mee te nemen in het kamp. Elke keer als de man het bewustzijn verliest wordt hij weer bijgebracht. Zulke dingen gebeurden elke dag in Auschwitz en Birkenau, maar nu gebeurde het voor zijn neus en moest hij onbewogen toekijken.
Hans vat kou tijdens de tochten naar Birkenau en krijgt een rotsbeenontsteking in het oor. Hij moet regelmatig naar de Krankenbau. De arts die hem behandelt, Dr. Wassilewski, brengt hem in contact met Marijke de Graaf, die vrijgelaten zal worden (ze is een uitzondering, want vrijlatingen uit Auschwitz komen niet veel voor). Marijke zal in Nederland hun moeder opzoeken en haar vertellen dat ze nog leven en in Auschwitz gevangen zitten en ze slaagt hier in. De oorontsteking wordt erger en erger en Hans moet een operatie ondergaan. Zijn overlevingskans is klein, maar zonder operatie bijna nihil. Zonder narcose wordt hij geopereerd terwijl vijf mensen hem tegen de operatietafel drukken. De hamer en beitel worden bij een timmerman geleend en dan begint het weghakken van het rotsbeen. Hans blijft de hele operatie bij volledig bewustzijn. Hans knapt snel op en zijn oor moet nog een aantal weken elke dag gespoeld worden. De artsen en verplegers hebben opnieuw zijn leven gered. Daarna moet hij weer vol aan het werk in Birkenau om de transporten uit Griekenland en de transporten met Roma en Sinti in te schrijven.
In die tijd begint Dr. Clauberg met zijn experimenten in blok 10. Als namaakverpleger vergezelt hij een echte verpleger en brengt een vrouw, Lina Prijs, regelmatig wat extra eten. Vijfendertig jaar later ziet hij haar opnieuw, ze heeft het overleefd.
Half maart 1943 moeten Hans en Rob bij de Lagerkommandant komen. Ze mogen naar huis schrijven. Hun moeder heeft naar de Kommandant van Auschwitz geschreven en nu ze toch weet dat zij niet dood zijn, mogen ze twee keer per maand naar huis schrijven en mogen ze ook pakketten van thuis ontvangen. Zo kunnen ze hun vrienden ook af en toe wat extra's geven.
Eind mei, begin april heeft Hans vlektyfus en ligt in blok 20 in de Krankenbau. Rob verzorgt hem en verschoont zijn bed. Hans heeft veel last van bloeddiarree, wat bij de tyfus hoort. Rob wordt in die tijd een nacht in de lijkenkelder opgesloten met inkt en een tatoeëerpen om te oefenen op de lijken, want hij moet tatoeëerder worden. Als Rob ook ziek wordt en in het bed naast Hans komt te liggen is Hans net weer koortsvrij. Hij kan nog niet op zijn benen staan, maar weet toch, met zijn laatste restjes energie, zijn broertje zo goed mogelijk te verzorgen en zijn beddengoed te wassen en te verschonen.
Na deze ziekteperiode komt Hans niet terug bij de Politische Abteilung, maar komt bij het Kommando Installateure en komt te wonen in blok 3a, een blok van het voormalige vrouwenkamp, het blok wat wij bezochten, nadat gids Witek het met de sleutel had ontgrendeld. Als Installateur kwam hij in Birkenau in verschillende afdelingen. Hij kon zo familieboodschappen voor anderen overbrengen. Als hij iets maakte, maakte hij vaak iets anders kapot, zodat hij vaker terug moest komen.
Op 19 juli tijdens het appèl worden 12 mannen opgehangen aan de galg voor het keukenblok, Hans staat net die dag vooraan. Alle gevangenen moeten toekijken hoe deze mannen opgehangen worden en mogen niet wegkijken. Deze Polen worden opgehangen, omdat zij contact hebben gehad met de buitenwereld en anderen hadden helpen ontsnappen.
Rob woont nu in een ander blok dan Hans. Rob was nog een tijdje hondenverzorger, maar raakte zijn baan kwijt, omdat hij zijn eigen eten met dat van de honden verwisselde, wat pure dierenmishandeling was volgens de SS. Gelukkig werd hij verder niet gestraft en werd hij daarna Blokschreiber, waaraan hij een hele goede baan had.
 

Hans verhuist, als hij bij het Kommando Baubüro komt, naar blok 16. Tussendoor woont hij ook nog een tijdje in blok 6a. Hans moet , wanneer het Baubüro een verbouwing of bouw oplevert, Übergabe Protokollen maken over alle werkzaamheden, manuren en materialen die in de bouw hebben gezeten en die overdragen aan de kampleiding. Hij kan zich zo over het hele terrein vrij bewegen. Hij krijgt alleen een bewaker mee, die moet voorkomen dat hij ontsnapt, maar met Rob in het kamp is hij dat niet van plan. Op 20 juni 1943 legt de Chef van het Baubüro de capaciteit van de gaskamers vast. Krematorium I 340, Krematoria II en III elk 1440 en Krematoria IV en V elk 768 per 24 uur. In totaal dus 4756, maar dat is soms nog niet genoeg capaciteit, er komen dan zoveel transporten binnen dat de lijken ook in de open lucht worden verbrand.
  In die tijd regelen de vrienden van Hans voor hem een bezoekje aan het bordeel, dat nu in blok 24 gevestigd is. SS-ers komen hier illegaal, maar het bordeel is eigenlijk bedoeld voor de gevangenen, ten einde homoseksuele contacten tegen te gaan. Een bezoek aan het bordeel is voorbehouden aan prominente gevangenen, de gewone gevangenen hebben er het geld niet voor. Hans wel, want zijn vrienden hebben geld voor hem ingezameld. Hij krijgt een medische controle, wordt ontsmet en komt daarna in de wacht kamer. Hij krijgt een briefje met een nummer. Die briefjes worden onderling geruild door de ervaren bordeelbezoekers. Een bezoekje duurt een half uur. Als Hans zenuwachtig bij beroepsprostituee Annie binnenkomt, probeert ze hem gerust te stellen. Ze vraagt bij welk Kommando hij werkt en verstaat Bauhof i.p.v. Baubüro. Het Bauhofkommando is een van de slechtsten van het kamp en omdat ze medelijden met Hans heeft geeft ze hem een Würfel (blok) margarine, die ze van een SS-er heeft gekregen. Ze praten nog wat en dan is het half uur voorbij. Als Hans naar buiten komt met de margarine, nemen ze ten onrechte aan, dat Hans een opmerkelijke prestatie in bed heeft geleverd. Het blijft voor Hans bij dit ene bezoek.

Eind november 1943 krijgt Hans weer vlektyfus, waar hij redelijk snel van herstelt, maar de complicatie die optreedt, een gezwel achter in zijn keel, kost hem bijna zijn leven. Hij kan bijna niet meer slikken, terwijl hij juist moet aansterken van de tyfus. Op een gegeven moment kan hij ook niet meer drinken en weegt hij nog maar 40 kg. Als hij ook moeilijk begint te ademen wordt het gezwel achter in zijn keel doorgesneden, wat niet zonder risico is. Hij is zo zwak dat hij niet langer dan 5 minuten rechtop kan zitten zonder flauw te vallen en geeft het op. Rob zit naast zijn bed te huilen en te smeken, Hans mag het niet opgeven. Rob en een aantal vrienden smokkelen met gevaar voor eigen leven extra eten naar het Krankenbau blok. Vrienden Jan Nab en Henk Haak worden boos op Hans. Hij kan zijn broer toch niet zo in de steek laten en hoe kan hij zo egoïstisch zijn dat hij het eten dat zij met gevaar voor eigen leven smokkelden niet eet. Dat trekt Hans over het dieptepunt heen en binnen een maand is hij weer op zijn oude gewicht.  

Op 9 april 1944 komt er een evacuatietransport uit Majdanek aan in Auschwitz. Dit geeft de gevangenen hoop, want dat betekent dat de Duitsers de oorlog aan het verliezen zijn. Op dit transport zitten ook Nederlanders, die zich al snel aansluiten bij hun groepje. Op de zolder van blok 6 krijgen ze films te zien, waarin beweerd wordt dat het terugtrekken van de Duitsers aan de frontlinie tot doel heeft dat ze de frontlinie verkorten en verbeteren. De gevangenen geloven dat natuurlijk niet en dus worden de voorstellingen al gauw weer afgelast. Er beginnen geruchten dat ook transporten uit Auschwitz geëvacueerd zullen worden. Hans schrijft aan zijn moeder dat hij zal proberen om naar Sachsenhausen te komen, waar hun vader sinds het begin van dat jaar gevangen zit.
Op 6 juni moet Hans voor het Baubüro naar de kassen van Rajsko. Voor een Poolse medegevangene zoekt hij daar een meisje op, om haar te melden dat de jongen nog steeds probeert schoenen voor haar te 'organiseren' maar dat dat hem op dat moment niet gelukt is. Het gaat om een Sloveense die een rode Italiaanse driehoek draagt. Het lukt Hans om met haar in contact te komen en hij heeft meteen een klik met haar en wordt op slag verliefd, voor het eerst in zijn leven is hij helemaal hoteldebotel van een vrouw.
  Ze heet Noëmi Trpin, is 20 jaar en komt uit Ljubljana. Oorspronkelijk komt haar familie uit Gorizia, Italië, maar zij hadden het land verlaten, omdat zij tot de Sloveense minderheid behoorden en zich niet meer veilig voelden in Italië. Noëmi gaat tijdens de Italiaanse bezetting in Ljubljana bij het verzet. Wanneer ze gearresteerd wordt beschouwen de Italianen haar als zeer gevaarlijk. Ze wordt na een korte gevangenschap op transport gezet met een groep bejaarde Joden, richting Birkenau. Ze worden allemaal naar de gaskamer gestuurd. Op weg naar de gaskamer maakt een bewaker een opmerking in de trant van "jullie Joden...". Noëmi zegt hem: "Maar ik ben geen Jodin." de bewaker plukt haar uit de rij en zegt: "Maar dan hoor je er ook niet bij!" Ze blijft als enige uit het transport in leven. Na een tijdje in Birkenau vragen ze farmaceuten voor een Kommando in Rajsko. Ze heeft maar  kort farmacie gestudeerd, maar probeert het toch. Zo komt ze in Rajsko terecht, waar het leven vergeleken bij Birkenau heel aangenaam is. Het lukt Hans om een paar dagen later nog eens naar Rajsko te gaan met een opdracht die hij verzint voor het Baubüro, maar er wordt hem door de SS daar meteen verteld dat hij het geen derde keer hoeft te proberen. Hij moet dus snel te werk gaan met Noëmi. Hij vertelt haar bij hun tweede ontmoeting dus meteen maar dat hij met haar wil trouwen als ze allebei de oorlog overleven. Natuurlijk moet ze daar hard om lachen, maar ze geeft hem wel haar adres in Ljubljana en hij leert dat uit zijn hoofd. Daarna brengt een Poolse collega van de Politische Abteilung, die in Rajsko werkt, briefjes over en weer tussen het stel. Hans ontvangt zelfs een fotootje van Noëmi, wat hij tot het eind van de oorlog verborgen weet te houden.
Ook Rob wordt verliefd, op een meisje uit het zigeunerkamp, Ramona, dat bij de liquidatie van dit kamp om het leven komt.

Begin september 1944 worden Hans en Rob in quarantaine gezet in blok 10, het voormalige experimentele blok. In een gewone passagierstrein, waarin ook gewone reizigers zitten, worden Hans en Rob en nog een paar andere gevangenen overgebracht naar het kamp Gross-Rosen. In dit kamp heerst grote honger, maar Hans en Rob hebben geluk. Ze komen te werken in de Siemens-Halske fabriek. De bedrijfsleider, die niks op heeft met het nationaalsocialisme, vertrouwt hen en hij geeft hen af en toe iets extra's te eten. Ook in dit kamp maken Hans en Rob vrienden. Zbyszek Szczepanski wordt een hele goede vriend. Hij maakt voor beide in de fabriek van het aluminium wat daar voor handen is een sigarettenkoker. Levensgevaarlijk, want verspillen van het aluminium was een grote misdaad. De sigarettenkokers hebben Hans en Rob altijd bewaard.
Hans en Rob krijgen een zeer bijzondere brief, een brief van hun vader die deze brief in Sachsenhausen heeft geschreven. Het is een wonder dat zo'n brief wordt doorgelaten, ondanks de censuur.
Hans wordt Vorarbeiter van het Versandlager en Rob rijdt spullen op een treintje heen en weer. De goederen en apparaten die klaar zijn om verzonden te worden naar Wehrmacht- en SS-instanties worden door Hans en zijn collega's weleens 'per ongeluk' naar de verkeerde bestemming verzonden. Kerst 1944 wordt door een aantal gevangenen met bier gevierd in de Häftlingskantine, Hans en Rob zijn daar ook bij.
 

  Op 10 februari 1945 vertrekt een meer dan een kilometer lange colonne gevangenen te voet vanuit het kamp. Hans en Rob ontfermen zich hierbij over een andere Nederlander, Harry, die meer dood dan levend is. Hij heeft diarree, maar wie langs de kant gaat zitten om zijn behoefte te doen, wordt onherroepelijk neergeschoten, wie niet verder kan ook. Elke 10 meter ligt er wel een lijk in de berm. Hans en Rob weten Harry te ondersteunen en mee te nemen. Plotseling staat er op een overweg een kolentrein waar de gevangenen in worden gestopt. Vanuit de trein ziet Hans Duitsers die met karren vol huisraad vluchten voor de oprukkende Russen. Na vier dagen zonder eten en drinken komen de ruim 2000 nog levende gevangenen aan in Leitmeritz (Litomerice), wat vlak bij Theresienstadt (Terezin) ligt. Hier vertrouwen ze Harry toe aan twee Nederlandse artsen die ze hier leren kennen. Helaas heeft het transport Harry teveel verzwakt en sterft hij enkele dagen later, in het zicht van de bevrijding. Hans wordt Vorarbeiter in de mijngangen van de kalksteengroeve. Vanwege de grote honger in het kamp verzamelt hij zoveel mogelijk Nederlanders in zijn groep en een aantal Polen, Russen en Tsjechen die hij vertrouwt. Ze houden om de beurt de wacht en rusten om de beurt, zodat ze zo weinig mogelijk energie verspillen. Dat het werk niet opschiet valt de SS-ers niet eens op.
Op vrijdag 2 maart is Hans net buiten de mijn als er honderden bommenwerpers voorbij komen. Hij ziet de piloten, vanaf de berg, op ooghoogte voorbij komen. In de verte ziet hij een enorme zwarte rookzuil omhoog stijgen. Later komt hij erachter dat hij getuige is geweest van het bombardement op wat er nog over was gebleven van de stad Dresden.

Op 24 april moeten ze weer op transport, voordat ze vertrekken staan ze nog 4 dagen stil op het perron en daarna vertrekt de trein naar het enige grote kamp wat nog niet bevrijd is, Mauthausen. De route er naartoe is niet zo veilig en de trein staat vaak stil onderweg. Op een klein stationnetje waar ze stil staan, zien ze de twee Nederlandse artsen die zich over Harry hebben ontfermd tussen de vrije mensen lopen. Ze zijn daar ontsnapt. Op een station in Praag wordt Hans vrijwillig ziekendrager. Op het station staat namelijk een afvaardiging van het Internationale Rode Kruis en de Duitsers willen zich van de goede kant laten zien. Ze laten schoorvoetend alle zieke gevangenen uit het transport gaan. Hans ontdekt een dode hoek, die de SS-ers niet goed in de gaten kunnen houden. Via die dode hoek haalt hij Rob en nog 8 Nederlanders uit de trein en haalt kaartjes bij dode gevangenen vandaan. Met deze kaartjes kunnen ze doorgaan voor ernstig zieke gevangenen en worden ze door het Rode Kruis naar een ziekenhuis in Praag gebracht. Op 30 april 1945 zijn ze eindelijk vrij!
Ze moeten zich nog wel ziek houden, maar krijgen heerlijk eten, vooral de gebakjes zijn favoriet. Op 2 mei leest Hans een krant waarin de dood van de Führer Adolf Hitler in wordt vermeld. Hans raakt bevriend met een verpleegster die hem kleren bezorgt. Zo kan hij het ziekenhuis verlaten als er buiten een barricade wordt gebouwd en de Tsjechische partizanen tegen de Duitsers vechten. Hans vecht met hen mee. Op 8 mei wordt Praag dan eindelijk bevrijd door de Russen en daarna wordt er dagenlang gefeest. Als ex-gevangenen worden ze in de stad heel goed behandeld. Ze krijgen geld, maar bij elke winkel waar ze iets willen kopen krijgen ze alles gratis. Ze krijgen vrij reizen met het openbaar vervoer, ze krijgen kleren, mogen gratis naar de bioscoop. Het is er fantastisch, maar toch willen ze naar huis.
Op 14 mei vertrekken ze met de trein naar Pilsen. Op deze route passeren ze lopend de linie tussen de Russische en Amerikaanse troepen.
Op 19 mei komen ze met een vrachtwagen vol Fransen en Nederlanders in Bayreuth aan en van daaruit vertrekken ze op 22 mei naar een oude Duitse kazerne in Bamberg. Op 24 mei stappen ze in veewagons richting Frankrijk. In elke Franse plaats waar de trein stopt worden de ex-politieke gevangenen getrakteerd op eten, drinken en rookwaar. Op 26 mei komen ze in het Belgische Ciney aan, waar ze ook vorstelijk worden onthaald. In een veewagon, waarin zowel ex-politieke gevangenen als landverraders zitten, komen ze aan bij de Nederlandse grens.
 
    Hans net na  de bevrijding in Praag
 Op het station van Maastricht wordt het Wilhelmus gespeeld en dat ontroert hen. Na een uur zitten ze echter nog steeds in de trein naar de klanken van het Wilhelmus te luisteren. Wat is de ontvangst in Nederland anders, dan de ontvangst in alle andere plaatsen die ze vanuit Praag hebben aangedaan. In Roermond gaan ze uit de trein en worden ze ondergebracht in een klooster. Daarna worden ze per vrachtwagen vervoerd naar een school in een andere plaats. Het lijkt wel alsof ze nog steeds gevangenen zijn. Op dit transport horen Hans en Rob van ex-gevangenen die uit Sachsenhausen komen dat hun vader het niet heeft overleefd. Hij werd daar in december 1944 zo hard geslagen door een Kapo, dat hij niet meer uit een coma is ontwaakt. Ze moeten daar in die school blijven, want ze mogen niet naar het pas bevrijde westen. Ze weten een paar chauffeurs van een konvooi richting het westen te overreden en verstoppen zich tussen de lading levensmiddelen. In Zeist, waar het konvooi doorheen trekt, verlaten ze de vrachtwagen. Hier melden ze zich bij de familie Oppenoorth die hun moeder voorbereidt op de thuiskomst van haar zoons. Hun moeder en broer Jan waren in de oorlog doorgegaan met actief verzetswerk.
  Een dag na hun thuiskomst schrijft Hans een brief aan Prins Bernhard, als leider van de Binnenlandse Strijdkrachten, met het verzoek om voor Nederland te mogen strijden in de strijd om Nederlands Indië te bevrijden, waar de familie lange tijd gewoond heeft. Hij komt via het K.N.I.L. bij het 2nd Royal Netherlands Infantery Depot in Vught via Engeland in Nederlands Indië terecht. Ook Rob zet de strijd tegen de bezetters voort als militair bij de Landmacht.
Hans neemt ondertussen contact op met Noëmi, hij is haar nog altijd niet vergeten. Hij schrijft haar een 20-tal brieven vanuit Nederland, Engeland, Penang en Batavia en daar in Batavia krijgt hij ineens antwoord terug. Noëmi was met een van de laatste transporten te voet uit Auschwitz vertrokken en in Ravensbrück terecht gekomen en wordt daar door de Russen bevrijd. Met Franse ex-krijgsgevangenen komt ze in Parijs terecht en daar en later in Lausanne wordt ze goed onthaald. Pas een paar maanden later komt ze thuis in Ljubljana waar ze de brieven van Hans vindt. Maar Ljubljana valt nu onder het communistische regime. De enige manier om daar weg te komen is wanneer ze een Nederlands paspoort heeft. In september 1946 gaat Hans vanuit West-Java vanaf het front terug naar Nederland met een studieopdracht. Vanuit Nederland trouwt hij 'met de handschoen' met Noëmi. Noëmi heeft zijn moeder gemachtigd om het jawoord aan Hans te schenken. Op 14 februari 1947 trouwt Hans met 'zijn moeder' op het stadhuis van Delft. In november 1947 haalt Hans haar in Parijs op van het station, waar ze na negen maanden huwelijk en elkaar slechts tweemaal een middag in Auschwitz te hebben gezien elkaar in de armen kunnen vallen. Hans en Noëmi blijven getrouwd tot de dood van Hans (op respectabele leeftijd) hen scheidt. Noëmi is ten tijde van dit schrijven nog in leven.
Hans en Noëmi 41 jaar later in Rajsko    
Rob spreekt jarenlang erg weinig over wat hij heeft meegemaakt en heeft last van nachtmerries. Hij trouwt met Hermine Tellegen, dochter van Dr. Antonius Tellegen, die na vele verzetsdaden wordt gefusilleerd in de duinen van Overveen. Naar zowel de vader van Rob als de vader van Hermine zijn in de verzetswijk in Zeist straten vernoemd. De straten van deze beide mannen liggen, heel bijzonder, ook nog eens haaks op elkaar.
   
  Dr. Antonius Tellegen  
Hans en Rob worden door een oude vriend, Tadeusz (Tadek) Szymanski, uitgenodigd in Auschwitz voor een herdenking ten tijde van het communistische regime in Polen. Als Nederlandse officieren wordt het hun door de NATO niet toegestaan om naar een communistisch land af te reizen. De vriend benadert daarop de Poolse president, die op zijn beurt Hans en Rob in Auschwitz uitnodigt door een rechtstreekse brief aan de Nederlandse premier. Het gevolg is dat de twee mannen dan voor het eerst weer terug kunnen naar Auschwitz.  

Rob wordt er rustiger van en gaat actief bezig bij verschillende organisaties die te maken hebben met de oorlog. Zo geeft hij voorlichting op scholen, begeleidt hij ex-gevangenen op reizen naar het kamp waar zij opgesloten hebben gezeten en reist hij met de Stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945 naar Mauthausen, waar ik hem, zijn vrouw Hermine en een van hun kinderen heb ontmoet. Ook Rob en Hermine zijn inmiddels overleden. Rob (en ook de andere ex-verzetsmensen van de Stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945) vond het belangrijk dat ook na hun dood de verhalen over de Holocaust verteld zouden worden. Bij deze!
   
  Rob Beckman bij een kranslegging in Mauthausen (1995)  
 

 

 

[Start] [Australië] [Amerika Zuidwest] [Kenya] [Costa Rica/Panama] [Zuidelijk Afrika] [Maleis Borneo] [IJsland] [Oostelijk Afrika] [Rondje Scandinavië (Noordkaap)] [Zambia/Zimbabwe] [Oeganda] [Jordanië] [Schotland] [Amerika Noordoost en West] [ Warschau, Baltische hoofdsteden en St. Petersburg] [Bolivia en Peru] [Deep South USA en Florida] [Zuid-Afrika] [Ierland en Noord-Ierland] [Reis langs 7 vernietigingskampen uit WOII in Polen] [Klassiek Griekenland] [Citytrips en korte reizen] [Reactie] [Leestips] [Gedichten]